Mannenwerk

't Is dat die hypocriete vuilbaarden er over blijven zeuren, anders zeurde ik er niet meer over.

Over seks, bedoel ik.

En als ik het over vuilbaarden heb, heb ik het vanzelfsprekend over de hulpverleners uit de psychologische en manisch-bemoeizuchtige hoek.

Geen punt uit de maatschappelijke taart laten ze onbespied, geen vierkante millimeter of ze zien er een werkterrein in.

Nu zijn het de jongens weer die gruwelijk te lijden hebben van seksueel geweld.

Aldus, tenminste, J. Beelen, psycholoog en stafmedewerker van de Stichting Ondersteunend Mannenwerk.

In Nederland hoeven maar twee gulpen tezamen te vloeien of er rijst van nabij een Ondersteunende Stichting op.

En zodra daar het woord seksualiteit valt, zijn ook de woorden misbruik, slachtoffer, geweld en dader niet ver meer.

U weet, immers: de enige gezonde en ware seksualiteit bestaat uit gelijkheid, broederschap, rozegeur, zachtjes aaien over de bol en een controleur van de stichting bij je bed.

Met een olijftak en een condoom.

De heer J. Beelen is erg geschrokken van het feit dat de meeste jongens niet aan dit voor de hand liggende patroon voldoen. Hij is er natuurlijk ook erg gelukkig mee, anders organiseerde hij niet zoveel studiemiddagen met misbruikte jongens als onderwerp.

Het geheim van zijn aanpak schuilt, zoals bij dit soort kwesties gebruikelijk, dáárin dat zijn ruimdenkendheid ten aanzien van de definitie van seksualiteit vele malen kleiner is dan zijn ruimdenkendheid ten aanzien van de definitie van misbruik.

Als jongens niet binnen het gezin het slachtoffer worden, dan worden ze dat wel buiten het gezin.

Als ze niet door mannen worden misbruikt, dan is de dader wel een vrouw.

Als ze uit nieuwsgierigheid hebben meegewerkt, dan verbeelden ze zich dat maar.

Als ze een erectie en een zaadlozing hebben gehad, dan gaat het enkel om de suggestie dat ze het prettig hebben gevonden.

Als ze homoseksueel zijn dan schamen ze zich, omdat de mannelijke dader misschien heeft gemerkt dat ze homoseksuele gevoelens hadden.

Als ze niet homoseksueel zijn dan schamen ze zich, omdat ze niet voor mietje willen worden uitgemaakt.

Kortom, alle jongens zijn in de war. Alle jongens schamen zich.

Om het te vertellen, vooral, aan de smeerkezen van de Stichting Ondersteunend Mannenwerk.

“Juist omdat het zo ingewikkeld is, stellen wij voor”, aldus de Stichting, “dat hulpverleners er bij jongens altijd naar vragen.”

“Een nieuw taboe”, noemt de Stichting het.

Nieuw werk aan de winkel, zou ik zeggen.

Waar moet het op die manier met ons soort mensen heen, de ouwe fietsen waar de rakkers het op moeten leren?

Moeten we ons zomaar het werk uit de mond laten stoten?

Of ben ik de smeerkees? Heb ook ik - met zulke gedachten - een psycholoog nodig?

Misschien ben ik wel in de war.

Dat gevoel kreeg ik sterk toen ik onlangs las dat de Amsterdamse kinderpsychiater D.J. de Levita in een rede bij de aanvaarding van het bijzondere hoogleraarschap in de transgenerationele oorlogsgevolgen (neem me die mondvol liederlijkheid niet kwalijk, maar het heet zo), toen ik dus las dat die psychiater had betoogd dat het bij de behandeling van oorlogsgetroffenen gaat om een problematisch panorama dat tenminste vijf generaties omvat.

Ik kreeg de aandrang terstond naar een stafmedewerker van de Stichting Ondersteunend Transgeneratiewerk te ijlen om hem iets op te biechten waar ik me altijd voor had geschaamd.

Dat ik namelijk transgenerationeel getekend ben.

Want, help, mijn betovergrootvader van moederszijde vocht in de Krimoorlog en, owee, mijn betovergrootmoeder van vaderszijde was, onder Paul Kruger, marketentster in de slag bij Potchefstroom.

Wie zou met ons alles-omarmend Ondersteunend Werk nog iets anders dan slachtoffer willen zijn? Wie ontkomt er nog aan dat hij zich door hulpverleners en psychologen laat misbruiken?