Duitse president wast de regering de oren

BONN, 17 JUNI. Met scherpe kritiek op de Duitse “partijenstaat” en het “gebrek aan conceptuele leiding” van de regering, vooral inzake de Duitse eenwording, heeft bondspresident Richard von Weizsäcker opnieuw een steen in de politieke vijver van Bonn gegooid. Op zijn kritiek, die hij uit in een vraaggesprek met het weekblad Die Zeit, reageerde de Beierse CSU gisteren direct boos, de oppositionele SPD instemmend.

Weizsäcker vindt dat de partijen doen alsof zij zelf constitutionele organen zijn. Zij zijn “machtsbezeten” als het om verkiezingen gaat en vergeten hun macht “als zij inhoudelijk-conceptueel leiding moeten geven”. “We leven in een democratie van opiniepeilingen. Dat verleidt partijen ertoe om slechts wensen uit de samenleving te volgen, waarvoor zij als dank dan weer een nieuw politiek mandaat oogsten. (..) Dit leidt tot een kringloop waarin de politieke verplichting om leiding te geven en nieuwe concepten te ontwikkelen tekortkomt.”

Weizsäcker herinnert in dit verband aan het goede voorbeeld van de vroegere kanselier Schmidt en wijst erop dat hij zelf “niet afkomstig is uit het partijpolitieke leven”. Duitsland moet zich meer ontwikkelen tot “democratische maatschappij van burgers”, vindt Weizsäcker.

De bondspresident verwijt de regeringscoalitie van CDU/CSU en FDP dat zij het volk niet tijdig en duidelijk heeft voorbereid op de grote langdurige kosten van de Duitse eenwording. Bijna vierkant tegenover het geldende Duitse regeringsbeleid, en praktisch naast de SPD, gaat hij staan met zijn opmerking dat de kosten van de Duitse eenwording niet alleen uit overheids-besparingen en economische groei te financieren zijn. De coalitie meent immers dat het draagvlak van de Westduitse economie in gevaar zou komen bij verdere lastenverzwaringen.

Dat Kohl zich aan Weizsäckers uitspraken heeft geërgerd liet hij vanmorgen merken in een regeringsverklaring over de wereldmilieutop in Rio de Janeiro en de Europese politiek. De kanselier bracht in herinnering dat nog ten tijde van de Duitse monetaire unie (1 juli 1990) “niemand binnen of buiten Duitsland, politici noch economen” een goed zicht had op de staat van faillissement waarin de toenmalige DDR - “officieel zevende industriestaat ter wereld” - zich in feite bevond. “Het lijkt me nuttig om dat tegen de achtergrond van de huidige discussie vast te stellen”, aldus Kohl.