De LAT-relatie van VNO en NCW

Morgen benoemt de christelijke werkgeversorganisatie NCW Hans Blankert tot voorzitter, vorig jaar stelde het VNO de academicus Alexander Rinnooy Kan als eerste man aan. Beiden gelden als pragmaticus en hun organisaties werken steeds nauwer samen. Maar tot fusie komt het niet.

W.J. ter Hart, voormalig voorzitter van de vereniging FME (metaal, elektronica- en elektrotechnische industrie), toont zich ingenomen met de nieuwe voorzitter van het Nederlands Christelijk Werkgeversverbond. Morgen wordt zijn opvolger bij de FME, J.C. Blankert, op de algemene vergadering van het NCW als opvolger van H.O.C.R. Ruding benoemd. “Blankert kan als NCW-voorzitter een brugfunctie naar het VNO vervullen, omdat hij het VNO als dagelijks bestuurslid kent.”

“Mijn nieuwe collega kent mijn organisatie misschien beter dan ik”, zegt VNO-voorzitter Rinnooy Kan schertsend. Uit hoofde van het FME-voorzitterschap, dat hij binnenkort neerlegt, zat Blankert zes jaar zowel in het dagelijks bestuur van het Verbond van Nederlandse Ondernemingen als van het NCW. Hij leidt bovendien de gezamenlijke organisatie voor milieu en ruimtelijke ordening van de twee werkgeversverbonden.

Met deze twee pragmatisch operende werkgeversvoorzitters lijkt de kans uitgesloten dat de Nederlandse multinationals weer aan de noodrem trekken zoals twee jaar geleden. Toen drongen vijftien grote bedrijven - waaronder Akzo, Philips, Shell, DSM en Nationale-Nederlanden - aan op een krachtenbundeling van VNO en NCW voor een effectievere belangenbehartiging van het bedrijfsleven in Den Haag en Brussel. Zorgvuldig werd het woord fusie vermeden; dit zou de discussie bij voorbaat - vooral bij het NCW - doodslaan.

Een commissie onder leiding van voormalig Shell-topman G.A. Wagner ging aan de slag en raadde VNO en NCW “een intensivering van het bestuurlijk contact” aan. Saillant is dat in de zeven man sterke commissie onder anderen FME-voorzitter Blankert zat. Sinds het pleidooi van de Commissie-Wagner ontmoeten VNO en NCW elkaar ongeveer zes keer per jaar in het gemeenschappelijk overleg. “Een zeer nuttig college”, meent J.J.H. Jacobs, algemeen directeur bij het VNO. “Tussen de opvattingen van VNO en NCW zit dan ook niet veel licht.”

Maar een fusie zit er voorlopig niet in. Het NCW hecht nog steeds aan de eigen identiteit. Dit manifesteert zich niet in afwijkende standpunten als het om sociaal-economische onderwerpen gaat. Richting Den Haag en Brussel spreken de werkgevers al met één mond.

“De samenwerking is goed, maar het zijn organisaties met totaal verschillende culturen. Een fusie is eigenlijk onmogelijk en zou hoogst onverstandig zijn”, aldus Ter Hart. Het NCW wil de eigen organisatie en daarmee de eigen identiteit bewaren; de "C' waarborgt nauwe banden met het CDA en dus met het centrum van de politiek. “Onze banden met het CDA zijn uitstekend”, zegt VNO-directeur Jacobs “trouwens met alle belangrijke politieke partijen.” Maar de VNO-directeur schuift niet aan bij het halfjaarlijkse Convent van de christelijke sociale organisaties en de CDA-bewindslieden.

Het VNO kent slechts ondernemingen en bedrijfstakken als leden. Van het NCW kunnen ondernemers ook individueel lid worden. In de praktijk betekent dit dat het NCW nogal wat kleine ondernemingen tot zijn leden telt, terwijl het VNO juist de grote bedrijven organiseert. “Het VNO opereert veel meer op macro-niveau en het NCW op meso- en micro-niveau. Daardoor staat het NCW dichter bij het bedrijfsleven”, duidt Ter Hart - die in de periode van Chr. van Veen vergeefs een gooi naar diens VNO-voorzitterschap deed - het verschil.

Een aantal "echt' grote bedrijven en bedrijfstakorganisaties is zowel lid van het VNO als van het NCW. De twee organisaties proberen niet via scherpe tarieven elkaar vliegen af te vangen, hoewel het VNO een fractie goedkoper is. De contributie bedraagt er 0,59 promille van de loonsom, tegen 0,60 promille bij het NCW. De totale contributie-inkomsten van het VNO zijn ongeveer 2,5 keer zo groot als die van het NCW; 30 tegen 12 miljoen gulden. Een individeel NCW-lidmaatschap kost 800 à 900 gulden per jaar. Rinnooy Kan is geen lid van het NCW.