Amerikaans Hooggerechtshof dekt "juridische variant kanonneerbootdiplomatie'; Uitspraak Hof komt niet uit de lucht vallen

“Het is niet de bedoeling andere landen binnen te gaan om eenzijdig terroristen of drugscriminelen te arresteren en voor de Amerikaanse rechter te brengen.” Zo verzekerde de onderminister (thans minister) van justitie William P. Barr eind 1989 een commissie van het Huis van Afgevaardigden. De commissie had vragen over een, overigens geheime, notitie van Barr waarin deze het indertijd door president Carter afgekondigde verbod van unilaterale arrestaties in het buitenland van tafel had geveegd. Samen met de juridisch adviseur van het departement van buitenlandse zaken, Abraham D. Sofaer, legde Barr er de nadruk op dat het zo'n vaart niet zou lopen. Maar uitsluiten deed hij niets.

Deze “juridische variant van de kanonneerbootdiplomatie” - zoals een hoofdartikelenschrijver van de New York Times het bij een andere gelegenheid heeft uitgedrukt - is nu gedekt door het Hooggerechtshof. Dit accepteerde een unilaterale arrestatie in Mexico in de zaak-Camarena. Camarena was een agent van de Drugs Enforcement Agency (DEA) die samen met zijn piloot in 1985 in Mexico werd ontvoerd, gemarteld en vermoord. Het was een gruwelijke moord en de DEA zwoer wraak. In 1990 slaagde de dienst erin, buiten de Mexicaanse autoriteiten om, twee verdachten in handen te krijgen onder wie een arts die ervan wordt beschuldigd Camarena in leven te hebben gehouden om het scherp verhoor te rekken.

Beide verdachten protesteerden dat hun ontvoering in strijd was met het uitleveringsverdrag van 1978 tussen de VS en Mexico. Een federaal Hof van beroep gaf hun gelijk, maar het Hooggerechtshof besliste deze week op verzoek van de regering-Bush dat noch het uitleveringsverdrag noch de Amerikaanse grondwet ontvoering van de arts uitsluit. Met name het verdrag kan niet gelden als een uitputtende regeling. Op deze uitspraak is ook in het geval van de eerste verdachte gewacht.

Zeker zo belangrijk is wellicht dat zij de verdediging van de voormalige Panamese leider Manuel Noriega een argument uit handen dreigt te slaan. De generaal wacht op de bepaling van de strafmaat nadat hij eerder dit jaar is schuldig bevonden aan drugssmokkel en racketeering. Zijn advocaten hebben steeds betoogd dat zijn arrestatie onrechtmatig was. Als de hele invasie in Panama die eraan vooraf ging, al niet in strijd met het volkenrecht was, dan maakte het militair geweld volgens hen toch zeker de arrestatie van Noriega onrechtmatig. De redenering is dat zelfs de arrestatie van volksvijand nummer één in de VS nooit een dergelijk verlies van mensenlevens zou rechtvaardigen.

De uitspraak van het Hooggerechtshof in de zaak-Camarena belooft weinig goeds voor dit verweer. Gewelddadige ontvoering kan schokkend zijn en zelfs een schending van het internationale recht, zei Opperrechter William H. Rehnquist namens een 6-3 meerderheid van het Hof, maar dit hoeft berechting door een Amerikaanse rechter van schendingen van de strafwetten van de Verenigde Staten niet in de weg te staan.

In 1990 had een gelijke meerderheid onder leiding van Rehnquist trouwens al verklaard dat het grondwettelijk verbod op illegale huiszoeking en inbeslagneming niet geldt ten aanzien van vreemdelingen in het buitenland. Dit betrof een huiszoeking door Amerikaanse agenten in een Mexicaans grensstadje. Ook hier was er al verband met de zaak-Noriega, want diens advocaten maakten in het bijzonder bezwaar tegen het gebruik van de duizenden documenten die de Amerikaanse autoriteiten in Panama hadden buitgemaakt, in het proces. Voor zover beperkingen op hun plaats zijn dienen deze volgens Rehnquist te worden aangebracht door de politieke organen.

Helemaal als een verrassing komt de rechterlijke toegeeflijkheid voor eenzijdige politie-actie in het buitenland niet. Reeds in de vorige eeuw, namelijk in de zaak Ker tegen Illinois uit 1886, heeft het Hooggerechtshof gezegd dat het er niet toe doet hoe een verdachte in de Verenigde Staten is terechtgekomen zolang hij op Amerikaanse bodem maar behoorlijk in staat van beschuldiging wordt gesteld en berecht. Het betrof hier een actie van een premiejager in Peru. De stelregel dat de Amerikaanse rechter geen lastige vragen stelt is in 1970 summier geamendeerd door een federaal Hof van beroep, dat waarschuwde dat dit geen vrijbrief is voor derde-graadsmethoden. Maar daar bleef het bij.

Zeker aan de Amerikaans-Mexicaanse grens heet er al tientallen jaren een “afgeschermde, informele handel in verdachten” te bestaan. Het punt in de zaak-Camarena is echter dat de Mexicaanse regering bezwaar heeft gemaakt tegen de ontvoering. Canada - dat nog niet zo lang geleden op zijn beurt aan de VS uitlevering van premiejagers heeft gevraagd - deed de ongebruikelijke stap zich daarbij formeel aan te sluiten. Dat illustreert hoe hoog het loopt. Tegelijk vormt dit een belangrijk verschil met de zaak-Noriega, want Panama heeft niet geprotesteerd (net zo min als Peru in 1886). Het Mexicaans-Canadese protest zette de volle schijnwerper op de vraag hoe de VS een onmiskenbare inbreuk op de soevereiniteit van een ander land eigenlijk rechtvaardigen.

“Zelfverdediging”, was in 1989 het antwoord van Sofaer, die overigens wel wilde erkennen dat deze Amerikaanse claim “kan worden aangegrepen door andere landen om over te gaan tot onverantwoordelijke acties tegen onze belangen”. Dat was een diplomatieke manier om te herinneren aan de wet die het parlement van Iran zojuist had aangenomen dat Amerikanen die worden gezocht wegens anti-Iraanse activiteit, overal ter wereld kunnen worden opgepakt.

Barr was niet onder de indruk van zijn collega: “Ik verwerp iedere gedachte van morele equivalentie tussen de Verenigde Staten en outlaw-landen die betrokken zijn in terrorisme. Wij staan terroristen niet toe ons land als basis te gebruiken”. Een dergelijk verwijt van medeplichtigheid viel Mexico nu echter niet zo makkelijk te maken. En zeiden de twee vertegenwoordigers van de regering-Bush in 1989 ten aanzien van Colombia - nota bene het land van het Medellin-kartel - niet met nadruk dat zij “daar niet zouden optreden zonder toestemming”?

Dat de Amerikaanse regering toch wel een beetje met justitiële ontvoeringen in haar maag zit blijkt wel uit het feit dat het departement van Barr er speciaal een juridisch eufemisme voor heeft bedacht: “rendition”. Dat past in wat is genoemd de “puriteinse en legistische traditie ” van de VS, die ook leidt tot het juridisch definiëren, codificeren en proclameren van geheime operaties door de inlichtingendiensten waarover andere landen liever de mantel der liefde leggen.

Maar mogen andere landen nu ook eenzijdig voortvluchtigen van hùn lijst oppakken in de VS?

Sofaer in 1989: “Absoluut niet”.

Foto: De voormalige Panamese leider generaal Manuel Noriega nadat hij door de Amerikaanse autoriteiten in staat van beschuldiging was gesteld. (Foto AFP)