Akkoord over nieuw Science Centre op IJ-oever A'dam

AMSTERDAM, 17 JUNI. Voor de bouw en inrichting van het nieuwe Science Centre in Amsterdam is een bedrag van 41 miljoen gulden beschikbaar. De ministeries van Economische Zaken en Onderwijs en Wetenschappen hebben hiertoe een overeenkomst getekend met het Centraal Bureau voor de Arbeidsvoorziening (CBA) en de gemeente Amsterdam. Het museum wordt aan de IJ-oevers gebouwd, op de kop van de IJ-tunnel, naar een ontwerp van de Italiaanse architect Renzo Piano.

Op een persconferentie vanmorgen maakten secretarissen-generaal Geelhoed van EZ en De Wijkerslooth de Weerdesteyn van O & W, wethouder Jonker van Amsterdam en voorzitter Rinnooy Kan van het Verbond van Nederlandse Ondernemingen bekend dat het rijk 11 miljoen aan het project bijdraagt. De gemeente Amsterdam betaalt 25 miljoen.

Het CBA, dat tot taak heeft de doorstroming op de arbeidsmarkt te bevorderen, financiert met vijf miljoen de multi-media presentaties in het nieuwe museum en een informatiecentrum over studie- en beroepsmogelijkheden. Door deze overeenkomsten, die beide voor vijf jaar zijn aangegaan, drukken de stichtingskosten van het nieuwe centrum, dat eind 1995 moet worden geopend, niet op de exploitatie.

Volgens directeur J. Douma van het bestaande Technologiemuseum NINT zijn er intentieverklaringen getekend met Shell Nederland, Philips en de Verenigde Nederlandse Chemische Industrieën (VNCI); over de bedragen wordt nog onderhandeld. Het museum voert ook besprekingen met de energieproduktie- en distributiesectoren, bijvoorbeeld de Gasunie, de Samenwerkende Elektriciteits Produktiebedrijven, het Kema, het Overlegorgaan Produktiesector en EnergiedNed. Over de keuze voor de IJ-oevers wil Douma alleen zeggen: “De garantie van de gemeenteraad voor deze investering van 25 miljoen gulden is een teken van hun vertrouwen in het IJ-oeverproject.”

Van het bedrijfsleven heeft het Science Centre volgens de directeur in totaal veertien miljoen nodig. De exposities worden ook in nauwe samenwerking ontwikkeld met bedrijven; de suggestie dat ze door de financiering een "vetorecht' hebben, wijst hij van de hand. “Er is sprake van een cultuuromslag,” zegt hij. “Het bedrijfsleven is nu ook bereid tot een discussie over zowel de kansen als de risico's van hun produkten. Bovendien erkennen ze dat dergelijke Science Centres informeel een belangrijke rol spelen in de beïnvloeding van het brede publiek en de schoolgaande jeugd.”

Het Science Centre moet dan ook als een intermediair worden beschouwd, of anders gezegd: een vorm van non-profit dienstverlening met een zakelijke inslag. “We hebben elkaar nodig,” zegt Douma. “Het bedrijfsleven kan zich hier genuanceerd presenteren, en wij moeten dicht bij de bron van nieuwe technologische ontwikkelingen zitten. Dat spanningsveld is vruchtbaar.”De exposities zullen in vijf onderdelen worden gepresenteerd: fenomenen en basisprincipes (bijvoorbeeld: lichtgolven), toepassingen (beeldtelefonie), multi-mediale achtergrondinformatie over kansen en risico's; en bovengenoemdinformatiecentrum over studie- en opleidingsmogelijkheden.

In het nieuwe centrum zullen ook werken van de kunstschilder Herman Heijenbrock worden geëxposeerd, die in 1923 het huidige Technologiemuseum Nint oprichtte. Heijenbrock was een van de weinigen die in de negentiende eeuw schilderijen en tekeningen in de industriële sfeer maakte.

Renzo Piano, mede-ontwerper van het Centre Pompidou en diverse andere musea, zal zijn ontwerp dit najaar presenteren. Piano nam eind vorige maand een eredoctoraat in ontvangst van de TU Delft en gaf een lezing aan het Berlage Institute. Piano is hiervoor uitgenodigd door NINT en de gemeentelijke supervisor van de IJ-oevers, Tjeerd Dijkstra.

Foto: Vlak achter de Langedokbrug in Amsterdam wordt het nieuwe Science Centre gebouwd, bovenop de kop van de IJ-tunnel (links). (Foto NRC Handelsblad/ Maurice Boyer)