Verenigde Naties; Déjà vu

Voor wie de conferenties tussen Noord en Zuid in de jaren zeventig heeft meegemaakt, klonken de geluiden die de afgelopen twee weken uit Rio de Janeiro kwamen, bekend in de oren. Amerika in de beklaagdenbank, rijke landen die weigeren zich vast te leggen op vergroting van de hulp, onderhandelingen die vastlopen, en een eindresultaat dat vlees noch vis is.

Vele conferenties in dat bewogen decennium, waarin twee oliecrises uitbraken, verliepen volgens dat patroon: de Wereldbevolkingsconferentie in Boekarest, de Wereldvoedselconferentie in Rome, de Wereldconferentie over woestijnvorming in Nairobi, en de UNCTAD-conferenties over de verbetering van de handelspositie van de ontwikkelingslanden.

Misschien deed de zondag in Rio beëindigde VN-conferentie over milieu en ontwikkeling (UNCED) nog wel het meest denken aan de zogeheten Zevende Speciale Zitting van de VN-Assemblée, die in september 1975 in New York werd gehouden - al was die veel minder spectaculair van opzet. Toen werden de discussies ook beheerst door een aansprekend thema - de nieuwe internationale economische orde - en toen waren ook hoge verwachtingen gewekt.

De bestaande economische orde diende vooral de rijke landen, zo was de gedachte, een nieuwe economische orde zou de ontwikkelingslanden een grotere kans op ontplooiing moeten geven. Dat zou onder andere moeten gebeuren door regulering van de grondstoffenmarkten. Hogere en stabielere prijzen voor grondstoffen en landbouwprodukten was de eis van de Derde wereld.

Zowel aan de conferentie in Rio als aan de zevende Speciale Zitting in New York lag grote bezorgdheid ten grondslag. In Rio was het de gedeelde angst dat de bomen niet meer tot de hemel zullen groeien, dat de woestijnen oprukken en dat het water dood en de lucht vergiftigd wordt. In New York ging het om de angst dat zich tussen Noord en Zuid een gevaarlijke confrontatie zou voordoen, niet alleen economisch, maar ook politiek. Het Westen vreesde na het succes van het oliekartel te worden afgesloten van de grondstoffenmarkten, het vreesde langdurige recessie en depressie.

Een opmerkelijke overeenkomst tussen Rio 1992 en New York 1975 was de rol van Nederland. Net als de afgelopen twee weken op de UNCED werd ook tijdens de Zevende Speciale Zitting een Nederlands politicus in een sleutelfunctie gekozen. En het alleropmerkelijkst is misschien nog wel dat het om dezelfde persoon ging: minister voor ontwikkelingssamenwerking Pronk.

In New York leidde Pronk de "ad hoc-commissie' die de economische en politieke verschillen tussen Noord en Zuid moest overbruggen. In Rio moest Pronk proberen de partijen te verenigen op financiële afspraken. Een andere opvallende parallel was de kritische houding van de olieproducerende landen. In Rio verzetten zij zich tegen de invoering van een belasting op energiegebruik, met als argument dat de regeringen van de Westerse landen daar het meest van profiteren. In New York stoorden zij zich aan de Westerse opvatting dat hun produkt het enige is waarvan de prijs door de producenten wordt vastgesteld. Volgens de toenmalige Perzische minister van oliezaken, Hmuzegar, is er geen enkel Westers industrieprodukt te koop waarvan de prijs niet gebaseerd is op stilzwijgende overeenkomst tussen de voornaamste fabrikanten. "Handen af van onze grondstof en moneymaker', was in beide gevallen het parool.

De Zevende Speciale Zitting van de VN-Assemblée eindigde - na enkele dagen verlenging - met een akkoord over ontwikkeling en internationale samenwerking. Het werd als positief gezien dat Noord en Zuid voor het eerst echt hadden onderhandeld en dat een compromis was bereikt. De problemen werden niet opgelost, maar de agenda voor de toekomst leek helder te zijn.

Ook de conferentie in Rio kende haar compromissen en de door diplomaten aan het slot geuite verwachting dat er een “proces” in werking is gesteld. Tastbare resultaten zouden later moeten volgen.

Maar na New York 1975 stokte de "Noord-Zuid-dialoog'. Langdurig. Ontwikkelingssamenwerking raakte uit de mode. Rapporten als dat van de Commissie-Brandt ("Noord-Zuid, een programma voor overleving') uit de jaren tachtig wisten het onderwerp niet tot nieuw leven te wekken.

Pas de top van Rio over milieu en ontwikkeling heeft daar verandering in gebracht. Dat komt deels doordat de achteruitgang van het milieu - anders dan het wereldwijde armoedevraagstuk - niet verdoezeld kan worden. Bovendien zien de coalities van Noord en Zuid er nu minder rigide uit dan in de jaren zeventig. Industrie- en ontwikkelingslanden zijn onderling verdeelder dan ooit en dat helpt nieuwe verstarring tegengaan.

Het terrein voor mondiaal overleg ligt nu in ieder geval weer even open. Tot het onderwerp - in feite het fatsoenlijk beheer van onze planeet - opnieuw doodbloedt. Want Rio is geen garantie voor toekomstig succes, evenmin als de Zevende Speciale Zitting dat was.