Suriname schendt nog steeds de mensenrechten

Vandaag brengt president Venetiaan van Suriname een officieel bezoek aan Nederland. De Nederlandse regering en het parlement zouden van de gelegenheid gebruik moeten maken om de situatie van de mensenrechten in Suriname te bespreken.

De ernstigste schendingen van de mensenrechten deden zich voor in de periode van 1980 tot 1987. Het staat buiten kijf dat de militairen de hoofdschuldigen zijn. Er zijn een aantal bekende zaken, zoals de decembermoorden (1982) en de moord op ruim vijftig bewoners van het dorp Moiwana in november 1986. De organisatie Moiwana '86 (de naam is ontleend aan het bloedbad in het dorp Moiwana) heeft echter gegevens over nog veel meer, minder bekende gevallen.

In 1988 trad de burgerregering van Shankar aan. De militairen bleven straffeloos de mensenrechten schenden. De voorbeelden liggen voor het oprapen. In november 1988 vond Ashok Gangaram Panday op gewelddadige wijze de dood in gevangenschap van de militaire politie op Zanderij. Nadat Suriname de zaak onvoldoende had onderzocht, kwam de zaak uiteindelijk bij het Inter-Amerikaanse Hof voor de Rechten van de Mens (uitspraak 5 juli aanstaande). In februari 1990 verdwenen vier jonge Indiaanse mannen die waren toevertrouwd aan de militaire politie. Volgens betrouwbare berichten zijn de vier overgedragen aan para-militaire medestanders van het leger en vermoord. In maart 1990 werden twee ongewapende lijfwachten van Brunswijk neergeschoten in het hoofdkwartier van Bouterse. De daders zijn niet vervolgd. In augustus van datzelfde jaar werd politie-inspecteur Gouding vermoord, onder omstandigheden die sterk wijzen op betrokkenheid van de militairen. Onderzoek leverde geen rechtsvervolging op.

Belangrijk bij een oordeel over het mensenrechtenbeleid van de Surinaamse regering is of Suriname voldoet aan de internationale verplichting om schendingen uit het verleden aan te pakken. Tijdens gesprekken in Paramaribo in januari van dit jaar tijdens de missie van het SIM voor het "Yearbook on Human Rights Developing Countries 1992', bleek dat de regering-Venetiaan hiertoe geen concrete plannen heeft. Illustratief is het halfslachtige omgaan met een omstreden Amnestie-wet van 1989, die verbiedt schendingen van mensenrechten, sinds 1985 begaan in het kader van het gewapend conflict, te onderzoeken en te straffen. Die wet is weliswaar nog steeds niet afgekondigd en geldt dus niet, maar de regering durft de wet ook niet in te trekken.

De huidige situatie is dat er geen ernstige schendingen van mensenrechten door de militairen meer worden gerapporteerd. Echter, er zijn andere misstanden. Zware mishandeling van arrestanten bij verhoor door de burgerpolitie is routine geworden en de autoriteiten treden nauwelijks op tegen dit soort praktijken. Het rechtssysteem is overbelast, onder andere doordat er onvoldoende rechters zijn. Illustratief voor het gebrek aan daadkracht bij het beschermen van een eerlijke rechtsgang door regering en justitiële autoriteiten is de inbeslagname, een maand geleden, van het boek "Curse of the Devtas'. Na een klacht van een aantal Hindoe-leiders dat het boek tegen het hindoeïsme is gericht, namen drie politieagenten de hele voorraad boeken op voorhand bij de schrijver in beslag, zonder rechterlijk bevel. Brieven van Moiwana '86 aan de president en aan de procureur-generaal om deze schending van het grondwettelijk recht van vrijheid van meningsuiting door het eigenmachtig optreden van de politie ongedaan te maken en de zaak over te laten aan de onafhankelijke rechter, als strafvervolging nodig wordt gevonden, bleven tot nu toe onbeantwoord.

Suriname is een duidelijk voorbeeld van de (voorlopig negatieve) samenhang tussen democratisering, respect voor mensenrechten en ontwikkeling. Als de burgerregering geen greep krijgt op de militairen zal ze niet in staat zijn burgerrechten en politieke rechten die in het verleden zo vaak en systematisch door de militairen zijn geschonden, te garanderen. In een dergelijke situatie zal de regering evenmin economische en sociale ontwikkeling tot stand kunnen brengen. De militairen, die inmiddels grote eigen zakelijke belangen hebben en volgens vele berichten nauw betrokken zijn bij de handel in drugs, kunnen de ontwikkelingsplannen van de regering frustreren. Als de regering niet zorgt voor het functioneren van het rechtssysteem en eigenmachtig en gewelddadig optreden van de politie blijft tolereren, zal het vertrouwen van de bevolking in de regering eerder af- dan toenemen. Het vertrouwen en de steun van de bevolking heeft de regering nodig om een democratische rechtsstaat te vestigen en daarmee is de cirkel rond. In het belang van democratisering en ontwikkeling is er dus alle reden om het onderwerp mensenrechten aan de orde te stellen tijdens het bezoek van president Venetiaan. Het is bovendien geen inmenging in interne aangelegenheden, maar het aanspreken van Suriname op normen van internationaal recht die het bovendien zelf heeft erkend. Als extra argument geldt nog dat in het Lomé IV akkoord tussen de EG en de ACP landen (waaronder Suriname) is vastgelegd dat mensenrechten in het kader van ontwikkelingssamenwerking ter sprake kunnen komen.

Alleen kritiek leveren is onvoldoende. Er kan ook de helpende hand worden geboden. Bijvoorbeeld door hulp bij training van politie en justitieambtenaren in mensenrechten en door Suriname te helpen de wetgeving en wetgevingspraktijk, waar nodig weer in overeenstemming te brengen met de internationale mensenrechtenverplichtingen. En ook daarvoor benodigde fondsen beschikbaar te stellen. En desnoods door toezegging van militaire steun voor het geval de militairen opnieuw, net als in 1990, de terugkeer naar een rechtsstaat te bedreigend vinden voor hun eigen hachje en het financiële voordeel dat ze uit machtsmisbruik hebben gehaald.

Foto: Surinaamse militairen in Paramaribo. (Foto Vincent Mentzel)