Politiek wijst referendum over "Maastricht' te snel af

Maastricht moet, echoode het vorige week door de nieuwe Tweede Kamer. Het overheersende blauw van de zeker 130 lege zetels, vormde het vertrouwde decor voor een inderhaast belegde bijeenkomst van het Euroforum: het handjevol Tweede Kamerleden dat zich met Europa bezighoudt. De Denen hadden weliswaar met de uitslag van hun referendum de toekomst van de EG op het spel weten te zetten, maar in het Nederlandse parlement heerste de gebruikelijke rust. Er werden bezorgde woorden gesproken over de kloof tussen politici en burgers die opnieuw was aangetoond.

“Kennelijk zijn wij niet in staat over te brengen waarom wij verder willen met Europa”, zei het CDA-Kamerlid Van der Linden voordat hij overging tot de orde van de dag - de vaststelling dat een gevolg van het Deense nee zou kunnen zijn dat “wij terechtkomen in een lossere intergouvernementele Europese samenwerking en misschien zelfs met meerdere snelheden en dan ook nog à la carte.”

Zal het ooit nog wat worden met het Europa-debat in het Nederlandse parlement? De Tweede Kamer was vorige week unaniem van opvatting dat een politiek debat over de Europese eenwording node werd gemist, maar bij die fatalistische constatering bleef het vervolgens. Extra folders? Liever niet. Nog wat Postbus 51 spotjes? Laten we het serieus houden. Minister Van den Broek moest “in alle eerlijkheid” zeggen dat hij niet wist op welke manier de voorlichting over Europa kon worden verbeterd.

Maar is de vraag eigenlijk niet veel meer of de grote Nederlandse politieke partijen wel zoveel behoefte hebben aan een groots Europa-debat? Want als dat werkelijk wordt gevoerd, zou waarschijnlijk niet alleen de kloof tussen hen en de kiezers duidelijk worden, maar ook de kloof tussen hen en hun eigen partij. Het zou wel eens tot de pijnlijke conclusie kunnen leiden dat het Europa van de twee snelheden ook voor de partijen intern geldt. Europa, dat was toch vooral iets voor de partijgenoten die minimaal twee talen spraken en niet afkerig waren van een glas wijn bij de lunch. Als zij zich nu maar verdiepten in cohesiefondsen, het democratisch deficit en het Verdrag van Lomé, dan kon de rest zich tenminste storten op "stoffelijke zaken' zoals de koopkracht en de kruisraketten.

Neem nu de VVD. De partij, wier fractievoorzitter Bolkestein tegenwoordig zo "genuanceerd' denkt over de Europese eenwording. In het twee jaar geleden opgestelde verkiezingsprogramma van zijn partij staat dat “de VVD de Europese integratie met kracht wil bevorderen”. Om die Eurogezindheid nog eens te benadrukken zegt de VVD in dezelfde geloofsbelijdenis dat ook het programma van de Europese Liberaal Democraten voor de jaren 1989 tot en met 1994 “het handelen van onze nationale en Europese parlementariers bepaalt”. Dat in december 1988 te Luxemburg vastgestelde programma zegt in de inleiding dat “ons eerste doel een federaal Europa is”.

Kom daar nu niet meer mee aan bij Bolkestein. Een federaal Europa is volgens hem “ongewenst en onnodig”. Met wat schimmige teksten werd het afgelopen weekeinde tijdens de partijraad eenheid gesuggereerd, maar in wezen is de VVD over Europa net zo verdeeld als de Britse Conservatieve Partij of de Franse oppositie. Interne discussie is echter het laatste waar de liberalen nu behoefte aan hebben. Het oppositie voeren vereist eensgezindheid. Dan maar geen fundamenteel debat over Europa.

Neem nu de PvdA. Ook daar een fractievoorzitter die zijn twijfels heeft over dat ene Europa. Op maandag spaghetti, op dinsdag hutspot, leek hem al helemaal niets, maar zijn bezwaren gingen verder. Waarom moest Brussel zich eigenlijk bemoeien met de Nederlandse boekenprijs, zo vroeg hij zich een jaar geleden openlijk af. Tegelijkertijd stelde hij deemoedig vast dat hij voor zijn standpunt helaas nog geen meerderheid in zijn fractie had weten te verkrijgen. Sindsdien is het betrekkelijk stil geworden rond het Europa-debat bij de sociaal-democraten. De PvdA had immers al genoeg interne discussie.

Het meest "eurominded' is nog wel het CDA, hoewel het in die partij voor velen ook gissen is wat er met dat Verenigde Europa wordt bedoeld. Neem nu iemand als Kamervoorzitter Deetman. Vorige week vertelde hij tijdens een bijeenkomst op de Leidse universiteit over de protesterende akkerbouwers die met hun blokkades bijna hadden bereikt dat de Kamer niet kon vergaderen. De boodschap die de Haagse politici voor de boze boeren hadden, was dat men honderdvijftig kilometer zuidelijker, in Brussel, diende te protesteren. Maar, zo moest Deetman toegeven, ik wist totaal niet bij wie ze in Brussel moesten protesteren: de Europese Commissie, de Raad van Ministers of de Europese parlementariërs.

Het Nederlandse debat over Europa blijft uit omdat de politici er ook niet echt goed raad mee weten. Samenwerking moet, daar is men het in grote lijnen wel met elkaar over eens. Maar keer op keer is er weer de ontgoocheling als het op de concrete uitwerking aankomt. Dan blijkt de regelende Europese hand veel verder te reiken dan verondersteld. Dan wordt in de Kamer gestameld dat Schengen zo niet is bedoeld, dat de Europese uitleg over asielzoekers anders is dan de Nederlandse of dat het eigen drugsbeleid toch gewaarborgd dient te blijven.

En dan is er plotseling "Maastricht'. Wat het verdrag precies inhoudt, weet bijna niemand. Hooguit is blijven hangen is dat het minder Nederland en meer Europa wordt. Het wantrouwen blijkt groot te zijn. Niet alleen nadat eind vorig jaar de leiders van Europa in Maastricht bijeenkwamen, maar ook reeds daarvoor. Eén van de redenen dat het Verdrag van Maastricht er alsnog kwam, was dat er een omslag in de publieke opinie werd geconstateerd. In zekere zin was er sprake van een "nu-of-nooit' stemming.

Voor die haast krijgen de Europese politici nu de rekening gepresenteerd. De sentimenten zijn per land anders, maar ze zijn er en dat is lange tijd onderschat. Het is bij velen niet eens de angst voor Europa die zo groot is, maar het onbestemde gevoel dat men de greep op het geheel verliest. En wat dat betreft geeft het gedrag van de nationale politici daartoe alle aanleiding. Het is dan ook niet zo vreemd dat blijkens enquêtes ook in Nederland een meerderheid van de bevolking een referendum wil over het Verdrag van Maastricht. Niet om Europa af te wijzen - uit dezelfde onderzoeken blijkt immers dat een meerderheid voor verdere eenwording is - maar om mee te praten. Natuurlijk moeten dit soort opinie-onderzoeken met de nodige scepsis worden bekeken. Een referendum kost niks, dus wie zou zich zo'n feestje laten ontnemen?

Maar er blijkt toch vooral ook iets van onvrede uit: hier wordt over ons zonder ons beslist. Democratie is niet voor bange mensen, zegt premier Lubbers geregeld. Juist de voorstanders van Europa zouden zich kwetsbaar moeten durven opstellen. Een consultatief referendum dat twee jaar geleden door de commissie-Deetman als één van de mogelijkheden voor staatsrechtelijke vernieuwing werd genoemd, is de ultieme vorm van kwetsbaar opstellen. Het dwingt tot uitleg, maar voor een politicus die overtuigd is van het eigen gelijk, mag dat geen probleem zijn.

Te snel wordt gezegd dat een raadplegend referendum slechts tot frustratie zal leiden als de politici vervolgens niet doen wat de kiezers hebben uitgesproken. Maar waarom toch steeds dat spookbeeld? Als het zo is dat politici hun electoraat vertegenwoordigen, zal er helemaal niet tegen Maastricht worden gestemd. Wel zal er, in tegenstelling tot nu, een fundamenteel debat over zijn gevoerd.

Bovendien, wat is het alternatief? Iedereen in de Nederlandse politiek wil meer debat over Europa. Maar een publiek debat entameren, terwijl de politiek zich al gecommitteerd heeft, is een operatie die pas echt tot frustratie zal leiden.