"Maastricht' inzet van Euro-verkiezingen; Het verdient aanbeveling de behandeling van "Maastricht' stop te zetten tot 1994

De uitslag van het Deense referendum over het Verdrag van Maastricht heeft tot ver buiten Denemarken op een voor Euro-politici onverwachte wijze het Europa van de burger zichtbaar gemaakt. Dat Europa lijkt er anders uit te zien dan door de Brusselse of Straatsburgse bril.

De meerderheid van de Deense burgers heeft kennelijk geoordeeld dat het Verdrag van Maastricht een te geforceerde stap te ver is. En opiniepeilingen in de andere lidstaten duiden erop dat zij op bijval mogen rekenen.

Dat lijkt er op te wijzen dat het Deense "nee' niet slechts een verdragsjuridisch vraagstuk is. Vooral de Nederlandse regering trachtte de ontstane situatie tot dat vlak terug te brengen, daarin gesteund door een meerderheid in de Tweede Kamer. Een GPV/ VVD-motie, waarin werd gevraagd een aanpassing of aanvulling van het verdrag “niet op voorhand af te wijzen” werd door de CDA-, PvdA- en D66-fracties afgewezen.

Minister Van den Broek ontraadde aanvaarding van genoemde motie, maar merkte wel op dat we met zijn twaalven door één deur zullen moeten. Het is teleurstellend dat hij op geen enkele wijze wist aan te geven hoe dat eventueel zou kunnen. Zoals het ook teleurstellend was dat de Nederlandse regering niet expliciet protesteerde toen bondskanselier Kohl en president Mitterrand suggereerden eventueel maar met zijn elven door te gaan. Dat was immers een machtspolitieke reactie tegen een kleinere lidstaat, zoals ook Nederland er één is. Het is ook een Nederlands belang dat geen ruimte wordt gegeven aan opvattingen die ertoe leiden dat een lidstaat buiten het kader van het Verdrag van Rome wordt geplaatst als het volstrekt volgens de regels van datzelfde verdrag geen goedkeuring geeft aan een wijziging van dat verdrag.

Het Duits/Franse directorium zal zich echter wel snel matigen. Immers, het Deense nee heeft een proces in werking gebracht dat de toekomst voor het Verdrag van Maastricht steeds onzekerder maakt. Op uiteenlopende gronden horen we kritische geluiden uit de monden van Duitse economen over het risico van het opgeven van de D-mark, van de Duitse deelstaten over hun soevereiniteitsverlies op het punt van onderwijs en cultuur en van Engelse Conservatives die nieuwe moed putten uit het Deense "nee'.

Interessant is vooral de groeiende scepsis over Maastricht in landen als Ierland en Spanje. Deze scepsis lijkt een gevolg van een vermoedelijk ernstige taxatiefout van de Europese Commissie onder leiding van Delors. Deze presenteerde in februari de "rekening van Maastricht', te weten een Brusselse uitgavengroei van 20 miljard ecu dat wil zeggen een verhoging van de EG-uitgaven van 1992 tot 1997 met ruim eenderde. Het grootste deel van deze extra uitgaven bestaat de facto uit een overdracht van financiële middelen van de noordelijke lidstaten naar de zuidelijke, met name Spanje, Portugal en Griekenland, alsmede Ierland. Vorige week besloot een meerderheid van de ministers van financiën dat Delors met deze ambities te hoog greep. Hij kan naar een belangrijk deel van zijn gewenste ecu's fluiten. De politieke betekenis van deze weigering zal vermoedelijk bestaan uit toenemende frustraties in genoemde landen. Resultaat: een verdere erosie van het draagvlak voor het Verdrag van Maastricht.

In het Verenigd Koninkrijk speelt men met de gedachte Denemarken tegemoet te komen door aan het verdrag een protocol toe te voegen, waarin het subsidiariteitsbeginsel beter wordt uitgewerkt. Dat lijkt een constructieve gedachte die echter tot veel discussie aanleiding zal geven. Immers, met dit beginsel wordt doorgaans veel Europese retoriek bedreven. Daardoor wordt verhuld dat het eerder een "eindpunt' dan een beginsel is, dat wil zeggen dat primair op het niveau van Europese Raad, Raad van Ministers en Europese Commissie wordt bepaald wat tot de competenties van de EG behoort. In deze topdown toepassing van de subsidiariteit is de nationale soevereiniteit geen uitgangspunt, maar resultante.

Het Verenigd Koninkrijk en Denemarken hebben vanouds voorkeur voor een meer "protestantse' toepassing van genoemd beginsel. Het politieke en parlementaire primaat ligt dan bij de nationale staat en Europees beleid is aanvullend. Het zou best eens kunnen dat deze meer confederale benadering op meer instemming kan rekenen bij de burgers van de lidstaten, voorzover geïnformeerd en gemobiliseerd.

De les van het Deense referendum moet dan ook zijn de burgers nadrukkelijker te betrekken bij het integratieproces, zodat meer duidelijkheid ontstaat over de politieke legitimatie van dat proces. Wie dat niet wil, levert een bijdrage aan de politieke vervreemding, waarbij burgers kunnen gaan reagaren op basis van politieke instincten of angsten (bijvoorbeeld over de positie van Duitsland), waardoor nationale verschillen in tegenstellingen ontaarden. En dat is gevaarlijker dan een mislukt verdrag. Het verdient aanbeveling de behandeling van het Verdrag van Maastricht stop te zetten tot 1994, het jaar van de eerstvolgende verkiezingen voor het Europese Parlement. "Maastricht' kan dan de inzet zijn.