Improvisatie

Koos, net als ik. Als ik een stukje schrijf over zomertalingen, heeft hij net zomertalingen gezien. Hij heeft ook een hond en de gewoonte te vragen of deze meegaat de hond uitlaten. Pimpelmezen in de tuin, een zoon die Daan heet, op een christelijk lyceum gezeten en met Arnhem te maken. Hij is ook van '46 en zijn vader was ook beroepsmilitair, maar de zijne landmacht, de mijne luchtmacht.

Toen hij veertien was, vertelt hij, lieten ze zich met z'n tweeën vanuit Rotterdam-Delfshaven de Nieuwe Maas en Nieuwe Waterweg afzakken. Met een vouwkano tussen sleepboten en oceaanreuzen. Hij was niet bang, want zijn vader was niet bang, zijn vader had alles onder controle.

“Na het ronden van de pier bij Hoek van Holland zijn we omgeslagen in de branding. Ik geloof niet dat ik mag zeggen dat ik toen aan de dood ben ontsnapt, maar het was heel akelig. We raakten spullen kwijt en ik kreeg water binnen. Uiteindelijk kotsend, jankend en hyperventilerend op het strand. Mijn vader wrong een kletsnatte handdoek uit. Nog herinner ik me de heftigheid waarmee ik bezig was me warm en droog te wrijven - dat was de heftigheid van mijn vader, alles wat-ie deed, deed-ie heftig. Toen ging hij aan de samengedromde omstanders twee sigaretten vragen. Hij stak ze allebei aan en gaf er één aan mij. Met deze verbluffende improvisatie bezegelde hij mijn bevorderdering tot man.”