Groeiende inkomensongelijkheid

Veel Nederlanders zijn openhartiger over hun geslachtsleven dan over de inhoud van hun portemonnee. Uitsluitend onze financieel adviseur, als wij die hebben, en de belastingdienst zijn op de hoogte van wat wij jaarlijks verdienen. Adviseurs betrachten professionele zwijgzaamheid, de fiscus kent een wettelijke plicht tot geheimhouding. Wel geeft de belastingdienst gegevens van loonbelastingkaarten en uit de aangiftebiljetten voor de inkomstenbelasting door aan het Centraal Bureau voor de Statistiek. Het CBS weet zodoende iemands (bruto) salaris, de winst van zelfstandigen, de hoogte van het pensioen of de WAO-uitkering.

Medewerkers van het CBS vullen deze opgave van de fiscus aan met gegevens uit andere bron. Van belastingvrije uitkeringen als kinderbijslag en huursubsidie heeft de fiscus immers per definitie geen weet. Uiteraard bepalen zulke uitkeringen mede hoeveel een huishouden te verteren heeft.

De door het CBS verzamelde gegevens maken het mogelijk om het netto besteedbaar inkomen van de Nederlandse huishoudens te bepalen, waarbij tevens rekening is gehouden met de betaalde inkomstenbelasting en premies voor de sociale verzekeringen. Ter geruststelling: het CBS heeft geheimhoudingsplicht en publiceert slechts statistieken waaruit de identiteit van individuen niet valt te achterhalen.

Niet dat langs deze weg een perfect beeld van de inkomensverdeling beschikbaar komt. Zo lijkt het aannemelijk dat de belastingdienst ongeveer tien procent van het in Nederland verdiende nationaal inkomen mist. Dat zwarte geld zit dan evenmin in de hoofdzakelijk op belastinggegevens gebaseerde inkomensstatistiek. Wanneer de deelname aan het zwarte circuit niet gelijkmatig over de bevolking is gespreid, leveren fiscale gegevens een vertekend beeld op. Bekend is dat economisch actieven vaker een deel van hun inkomen verzwijgen dan uitkeringsontvangers: vooral zelfstandigen zwemmen soms in het zwarte geld. Daarom onderschat de tweejaarlijks gepubliceerde inkomensstatistiek hoogstwaarschijnlijk het aantal mensen met hogere inkomens.

Ons land telt heel wat gezinnen met een behoorlijk inkomen. Honderdduizend huishoudens hebben een netto inkomen van een ton of meer (dus nadat zij belasting hebben betaald). Hierbij is inkomen van man, vrouw en inwonende kinderen samen genomen. Ruim driekwart miljoen huishoudens hebben netto vijfduizend gulden per maand of meer te besteden. Voor goed begrip, de fiscale huurwaarde van het eigen huis is mede als inkomen geteld. Het privégebruik van de auto van de zaak is conform de fiscale wetgeving gewaardeerd op twintig procent van de cataloguswaarde.

De genoemde inkomensgegevens betreffen het jaar 1989. Voor latere jaren zijn nog geen cijfers beschikbaar, omdat na afloop van het jaar aangifte wordt gedaan en het CBS tijd nodig heeft om alle benodigde gegevens te verzamelen en te bewerken.

De inkomensstatistiek maakt het mogelijk veel voorkomende misverstanden uit de weg te ruimen. Velen denken bijvoorbeeld dat de inkomensverschillen in Nederland door allerlei nivellerende ingrepen van de overheid nog voortdurend kleiner worden. In feite neemt de inkomensongelijkheid sinds het begin van de jaren tachtig weer langzaam toe. Stel dat alle Nederlandse huishoudens in een lange rij worden gezet, naar oplopend inkomen. Vervolgens verdelen we de rij in tien groepen, die elk tien procent van de gezinnen bevatten. In de eerste tien-procentgroep zitten hoofdzakelijk buitenshuis wonende studenten (wat zij van thuis krijgen telt het CBS overigens niet mee als inkomen). Hun aandeel in het totaal besteedbaar inkomen van gezinnen bedroeg in 1989 slechts 2,6 procent, tegen 3 procent in 1983. Het aandeel van de rijkste tien procent van de gezinnen nam sinds het midden van de jaren tachtig juist iets toe tot 21,8 procent van het totaal besteedbaar inkomen.

De rijkste helft van de huishoudens zag in de jaren tachtig haar aandeel in het nationaal inkomen met ruim 1 procent toenemen, de armste helft raakte aldus meer dan 1 procent van de koek kwijt. Hoewel het CBS zich niet uitlaat over de oorzaak van de toegenomen inkomensongelijkheid, lijkt het duidelijk wat er is gebeurd. Door bezuinigingen op de sociale zekerheid zijn de lonen en de winsten van de economisch actieven in de jaren tachtig sneller gestegen dan de inkomens van huishoudens die zijn aangewezen op een uitkering. Ondanks veel gehoorde beweringen over de geringere "maakbaarheid' van de samenleving, illustreert de statistiek dat overheidsmaatregelen de inkomensverdeling wel degelijk beïnvloeden.

Politieke twisten over het inkomensbeleid woeden vooral over de koopkrachtveranderingen van de minima en de "modale' werknemer. Deze laatste figuur is een bedenksel van het Centraal Planbureau om het inkomensbeloop van CAO-werknemers te benaderen. In 1989 zat de modale werknemer (besteedbaar inkomen dertigduizend gulden) op de grens van de vierde en de vijfde tien-procentgroep van de huishoudens. Politici versmallen het debat dus tot het begin van de inkomensrij, belangwekkende veranderingen verderop in de rij, waar de rijkste helft van de huishoudens staat opgesteld, kregen de afgelopen jaren bij inkomenspolitieke debatten nauwelijks aandacht.

Het lijkt de hoogste tijd om de modale man te begraven en een veel zinvoller discussie over het inkomensbeleid te voeren aan de hand van langere-termijntrends in de totale inkomensverdeling. De gegevens van het CBS bieden daarbij een intrigerend richtsnoer.