Geloofsinhoud

In het artikel "Tolerantie wijkt voor wantrouwen' (NRC Handelsblad, 9 juni) van Walter Goddijn staat de merkwaardige zin: “Bovendien interesseren Nederlanders zich meer voor de "sociale vormen' van religieuze identiteit dan voor de eigenlijke geloofsinhoud”.

Hoe heb ik het nu? Was het dan helemaal onzin als de Nederlanders "een volk van theologen' genoemd werden? Ging het bij de twisten tussen remonstranten en contra-remonstranten niet om "eigenlijke geloofsinhoud'? Of bij de Afscheiding van 1834, of de commotie rondom het Modernisme omstreeks 1870, of de Doleantie van 1886? Ook lijkt mij dat de veelgeroemde Nederlandse tolerantie veeleer een zaak van beleid van overheden en maatschappelijk leidinggevenden was, dan dat zij onder het volk leefde. Het klandizie gunnen aan geen anderen dan aan "geloofsgenoten', dat zo'n zestig jaar geleden nog veel voor kwam was bepaald niet een bewijs van tolerantie; klandizie-scheidslijnen kwamen ook wel binnen dezelfde zuil voor. Maar afgezien daarvan: Goddijn schijnt het bestaan van "zuilen' een bewijs van tolerantie te achten; mij lijkt het tegendeel waar. Juist grotendeels wegens de grote interesse van Nederlanders voor "eigenlijke geloofsinhoud' bestond en bestaat er onder Nederlanders intolerantie, die zich onder andere uitte in het zuilenstelsel.

Goddijn zou ook zijn lezers verplichten als hij duidelijk uitlegde wat hij precies verstaat door "sociale vorm van religieuze identiteit' en hoe dat afgrenst tegen "eigenlijke geloofsinhoud'.

Helaas, de werkelijkheid is weerbarstig. Zo is de Ames-test de best onderzochte in vitro test die ooit is bedacht. Toch blijkt de conclusie onontkoombaar: het is een nuttige test voor de mutagene eigenschappen van een stof en enkele metabolieten, maar hij is volstrekt onbetrouwbaar als het gaat om te voorspellen of een stof voor de mens carcinogeen is. Alleen in combinatie met andere gegevens, waaronder vooral dierproeven, wordt een voorspelling min of meer betrouwbaar.