Europa is helemaal geen bureaucratische superstaat; Bij de afwijzing van de EMU gaan irrationele argumenten en verzet tegen Brussel samen

Denemarken heeft met zijn referendum munitie gegeven aan oud en nieuw wantrouwen jegens de Europese Gemeenschap. Het nieuwe verwijt betreft de monetaire unie, die in het Verdrag van Maastricht werd afgesproken; het oude de Europese bureaucratie.

De Denen zouden zich hebben afgezet tegen de dreiging van een superstaat die wordt bestuurd door technocraten in het Berlaymont-gebouw in Brussel. In Nederland wordt dit standpunt met instemming vertolkt door VVD-leider Bolkestein, die daarmee een argument aanhaalt dat premier Thatcher indertijd zo krachtig onder woorden bracht in haar befaamde toespraak in Brugge (september 1988). Die toespraak werd het manifest van de kruistocht tegen een federaal Europa. In het kielzog van Bolkestein volgen andere Euro-sceptici met kritiek op het bureaucratisch gehalte van de EG.

Maar de Europese Gemeenschap is helemaal geen bureaucratische superstaat. Integendeel, de EG heeft verbluffend weinig ambtenaren. Vorig jaar beschikte de Europese Commissie, het dagelijkse bestuur van de EG, over 12.599 ambtenaren, van wie dertien procent (1.616 personen) bestond uit tolken. De gemeente Den Haag telt ongeveer evenveel ambtenaren. De kritiek op de omvang van de Brusselse bureaucratie is daarom niet alleen onjuist, het is ook een gemakkelijke manier om het onvermogen van politici bij de terugdringing van de nationale en lokale bureaucratie te maskeren.

Want als de EG met 12.599 ambtenaren kan volstaan voor een economische grootmacht die 340 miljoen inwoners in twaalf landen omvat, waarom zou de failliete gemeente Den Haag dan 12.000 ambtenaren moeten hebben en waarom zou de Nederlandse rijksoverheid moeten steunen op 170.000 ambtenaren? Of, om een paar praktische voorbeelden te noemen: de EG geeft met minder ambtenaren evenveel ontwikkelingshulp als Nederland. En vergeleken met Nederlandse ministeries is het aantal woordvoerders in Brussel minimaal.

De bureaucratie-fobie gaat niet alleen om het aantal ambtenaren. Nationale en gemeentelijke ambtenaren zijn via ministers of wethouders onderworpen aan democratische controle en dat geldt niet voor EG-ambtenaren. Dat zou zich kunnen vertalen in een pleidooi voor meer politieke verantwoordingsplicht voor de Commissie. Aan de andere kant: de ambtelijke machine in Nederland kan jarenlang ongestoord haar gang gaan, zonder dat politici ook maar iets van zich laten horen.

Waarom is het beeld van de Brusselse technocratie dan zo hardnekkig? Het heeft ongetwijfeld te maken met de terreinen waarmee de EG zich bezighoudt. Naarmate de EG zich meer taken toeëigent, bemoeien EG-ambtenaren zich vaker met nationale zaken. De gemeenschappelijke markt, het project "1992', heeft tot gevolg gehad dat de EG het speelveld voor concurrentie heeft geëffend. Dat levert soms potsierlijk geneuzel op, bijvoorbeeld als de Commissie wil vaststellen of "pizza' een beschermde naam is voor een regionale culinaire specialiteit. Of als de EG zich bemoeit met de kwaliteit van Franse kaas, met het aantal appelrassen in Europa of met de samenstelling van vruchtenyoghurt. Over het algemeen is de vaststelling van gemeenschappelijke normen voor produkten overigens in het voordeel van het Nederlandse bedrijfsleven, want het maakt een eerlijke concurrentie mogelijk.

Op andere terreinen is de bemoeizucht van Eurocraten ronduit pijnlijk voor nationale overheden en politici. De aanval op Nederlandse kartelafspraken, die door het politiek-bureacuratisch complex in Den Haag altijd zijn getolereerd, is uit Brussel gekomen. De gelijke behandeling bij pensioenen voor mannen en vrouwen is door de EG afgedwongen - en de Nederlandse politici hebben in Maastricht nog haastig de terugwerkende kracht ervan verijdeld omdat het de overheid anders zoveel geld zou kosten. Daarover maakt vrijwel geen politicus in Den Haag zich druk.

Ook bij de afwijzing van de economische en monetaire unie (EMU), die voor het einde van deze eeuw tot één munt in een aantal EG-landen moet leiden, gaan irrationele argumenten en verzet tegen Brussel samen. De kritiek op EMU komt van twee kanten: sommigen, zoals recentelijk een groep van ruim zestig Duitse economen, zijn van mening dat de eisen voor deelname aan EMU niet hard genoeg zijn. Anderen, zoals een aantal Amerikaanse economen waaronder Martin Feldstein van Harvard (die met instemming wordt geciteerd door Arend Jan Boekestijn op de opiniepagina van gisteren), beweren dat een gemeenschappelijke munt in Europa meer kwaad dan goed zal doen.

Wat de Amerikaanse critici betreft: zouden ze voorstanders zijn van een eigen munt voor Rhode Island, voor Missisippi, voor Californië of voor New York? Zolang het antwoord op die vraag negatief is, wordt hun afwijzing van de Europese munt kennelijk meer door concurrentievrees dan door gedegen economische analyse ingegeven. Amerikaanse beweringen dat de EMU-eisen voor beperking van het financieringstekort die worden gesteld aan landen zouden leiden tot afzwakking van de groei, is een gotspe uit een land dat door zijn onvermogen om het begrotingstekort te beheersen iedere vorm van economische sturing uit handen heeft gegeven. Als iets groeivertragend werkt op de rest van de wereld, dan is dat het Amerikaanse begrotingstekort van 400 miljard dollar.

De twijfel over de hardheid van de EMU-afspraken die de Duitse economen vertolken - overigens zij niet alleen, in Nederland en andere EG-landen is dezelfde zorg te horen - is wèl gewettigd. In Maastricht heeft Frankrijk in de Nederlandse ontwerptekst over de monetaire unie op het laatste moment politieke criteria en een uiterste datum voor de invoering van één munt toegevoegd. Dat is riskant. Het antwoord is niet om de gemeenschappelijke munt af te wijzen, maar om de toelatingscriteria zo streng mogelijk toe te passen en de toegeeflijkheid van creatieve politici aan banden te leggen. Politici dreigen nu tot het andere uiterste te vervallen. Ze geven Brussel de schuld en wassen hun eigen handen in onschuld. Dat is het laatste wat Europa kan gebruiken.

Foto: Het hoofdgebouw van de EG in Brussel. (Foto Flip Franssen)