Een pijnlijk rammelend scenario

Groot-Brittannië, twee maanden na de verkiezingen. De Conservatieven, onder leiding van John Major, hebben voor de vierde achtereenvolgende keer het mandaat gekregen om te regeren. Eén van de redenen dat de partij, die opgang en ondergang van de economie in de jaren tachtig had geregisseerd, toch weer aan de macht kwam, was dat de Britten uit twee kwaden het minste kwaad kozen. De Tories preludeerden met succes op het diep-gewortelde wantrouwen in het economisch beleid van een Labour-regering: hogere belastingen en vervolgens spend, spend, spend.

Het Conservatieve scenario - stem op ons en zie hoe de economie opleeft in het vooruitzicht van weer een regeringsperiode prudent beheer van 's lands financiën - blijkt nu echter pijnlijk te rammelen. Héél even leek de consument, direct na 9 april, voldoende aan vertrouwen gewonnen te hebben om weer grote bedragen uit te geven. Zwakke tekenen van opleving in de huizenmarkt - de eerste indicator - en de autoverkoop werden hoog opgespeeld. Het wonder heeft niet doorgezet. Het ministerie van financiën maakt zich op om in het licht van de feiten met de billen bloot te komen: de in maart voorspelde groei van 1 procent over het lopende financiële jaar zal worden bijgesteld tot “minder dan een half procent”. Sommige City-analisten (o.a. Goldman Sachs en Warburg) zijn ruwer: zij ramen de groei op niet veel meer dan 0 procent. Grote boosdoener is de nog altijd hoge rentestand: 10 procent voor de banken onderling en méér voor hypotheekleners en andere kredietzoekers.

De nieuwste cijfers, van 11 juni, laten opnieuw een terugval zien in de omzet van de detailhandel. De auto-industrie, zwaar getroffen door het wegvallen van de binnenlandse vraag, maar overeind gehouden door de mogelijkheid tot export, ziet nu ook de produktie ten behoeve van uitvoer sterk teruglopen: met 6 procent op jaarbasis. De huizenmarkt beweegt nauwelijks, de bouwnijverheid en de toeleveringsbedrijven voor de huizenmarkt derhalve evenmin.

De zorgen van de regering-Major zijn daarmee nog niet over. Achterblijvende inkomsten en uitgaven die hoger uitvallen dan geraamd (sociale lasten) als gevolg van de recessie, maakten dat minister Lamont in zijn begroting van maart een tekort moest opbiechten van - naar Thatcher-maatstaven - ongekende omvang: 28 miljard pond voor dit jaar en 32 miljard pond voor 1993-94. De omvang van dat tekort moet mogelijk eveneens worden bijgesteld, nu de verwachte economische opleving uitblijft. De adviseurs van Lamont spreken nu over bedragen van respectievelijk 31 miljard voor dit jaar en 35 miljard voor het volgend jaar - en dan mogen de verschillende departementen geen penny over hun begroting gaan.

De omvang van het oorspronkelijk geraamde tekort sloeg hier al in als de spreekwoordelijke bom. Het was niet alleen de hoogte ervan, het was vooral de totale ommekeer in beleid van een regering die onder haar vorige leidster één langdurend sermoen had gehouden, waarvan de moraal was dat de tering gezet moet worden naar de nering. “Elke huisvrouw weet dat”, zei mevrouw Thatcher ooit. Minister Lamont was zich van die ommekeer zeer wel bewust, maar weerde zich dapper met termen als “zeer wel te verdedigen op de middenlange termijn”. Lamonts kleurloze optreden in de verkiezingscampagne en geruchten over een breuk tussen hem en de premier hebben Major niet belet hem in de samenstelling van zijn nieuwe kabinet te handhaven. Maar hoe hoger het begrotingstekort, hoe meer vraagtekens de minister achter zijn positie verzamelt.

De bezorgdheid van de regering over de omvang van de overheidsuitgaven wordt nog vergroot door de crisis over "Maastricht'. De markten hebben de grootste moeite om vast te stellen wat een "leeg' verdrag precies betekent voor de waardering van de verschillende valuta (en derhalve van de ecu). Een afketsen van het Verdrag van Maastricht maakt het onzeker of EG-partners in staat zullen zijn om aan de zogenoemde convergentiecriteria te voldoen. Regeringen die omvangrijke tekorten op hun begroting hebben (en de Britten zitten met hun oplopende tekort ruim een procent boven het toegestane criterium van 3,0 procent) kunnen het wel eens moeilijk krijgen bij het lenen van geld op de financiële markt.

Om de overheidsuitgaven zoveel mogelijk binnen de perken te houden is de nieuwe Thatcherite staatssecretaris voor de begroting, Michael Portillo, al een half jaar eerder dan gebruikelijk aan zijn overleg met de verschillende departementen begonnen. Naar verluidt zullen ministers zelfs weer geld moeten inleveren dat hen al was toegezegd. Politiek vuurwerk is derhalve te verwachten, maar Norman Lamont verbindt zijn geloofwaardigheid aan het vermogen om zich daardoor niet van slag te laten brengen. City-analisten hebben al gewaarschuwd: als stijgende overheidsuitgaven in de herfst blijken te moeten worden gedekt door opnieuw omvangrijker leningen, dan zou dat de bezorgdheid van de markt vergroten.