ECN: Nederland haalt doel van verminderde uitstoot koolstofdioxyde niet; Pleidooi voor nieuwe kerncentrales

AMSTERDAM, 16 JUNI. Nederland zal veel zuiniger met energie moeten omgaan, nieuwe kerncentrales in gebruik moeten nemen en geavanceerde, schone kolenverbranding moeten toepassen om aan de doelstelling van het Klimaatverdrag van Rio de Janeiro voor CO2-stabilisatie (emissies van kooldioxyde) te voldoen.

Bij het huidige energiebeleid kan Nederland op geen stukken na zijn eigen doelstelling halen, om de CO2-emissies in 2000 met drie tot vijf procent terug te dringen.

Dit blijkt uit de Nationale energieverkenningen 1990-2015 die vanmorgen door het Energie-onderzoek Centrum Nederland (ECN) zijn gepubliceerd. Behalve kernenergie en schone kolenverbranding moet de bijdrage van zonne- wind- en getijde-energie en gaswinning uit biomassa drastisch worden opgevoerd. Uiteindelijk zullen deze bronnen voor een duurzame energievoorziening kunnen zorgen, zegt ECN-directeur dr. H.H. van den Kroonenberg. Maar eer het zover is mag Nederland geen enkele schone energievorm, ook kernenergie niet, uitsluiten.

Een groter energieverbruik bij vervuilende energiebronnen kan leiden tot een milieuramp, aldus Van den Kroonenberg. Uit de berekeningen van het ECN blijkt dat de totale energievraag bij een redelijke groei van de economie tegen het jaar 2000 met drie tot zeven procent zal zijn gegroeid, en in 2015 met tien tot dertien procent.

In geen enkel van de scenario's die het ECN op een rijtje heeft gezet en waarin rekening is gehouden met alle mogelijkheden van het huidige Nederlandse energiebeleid, wordt voldaan aan de doelstelling van de Nederlandse regering om de CO2-emissies (kooldioxyde) in het jaar 2000 met drie tot vijf procent te verminderen, ten opzichte van 1990. Maar ook een stabilisatie in 2000, waarop de Europese Gemeenschap zich tijdens de conferentie in Rio heeft vastgelegd, geeft problemen. Slechts in één scenario wordt (pas na het jaar 2000) een daling van de CO2-emissies met negen procent ten opzichte van 1990 bereikt, maar dan moeten er drie kerncentrales ter grootte van Borssele worden gebouwd en moet op grote schaal CO2 worden opgevangen en in lege aardgasvelden worden opgeslagen.

Door de omvangrijke jaarlijkse uitvoer van aardgas en van raffinageprodukten is de Nederlandse energiebalans met een invoersaldo van acht procent nu nog redelijk in evenwicht. De afhankelijkheid van het buitenland zal echter na het jaar 2000 “dramatisch” toenemen, aldus het ECN-rapport. Omdat de aardgasexport tegen 2010 begint te dalen en - op basis van de nu bekende gasreserves - in 2015 is afgelopen, stijgt het invoersaldo dat jaar tot bijna vijftig procent van het binnenlands verbruik van energie. Daarna stijgt dit getal verder omdat ook het binnenlandse gasaanbod minder wordt en aardgas geïmporteerd moet worden. Na 2000 zal de bijdrage van de kleine gasvelden snel verdwijnen en moet de grote gasbel in Slochteren voor de hele gasvoorziening zorgen.

Het ECN voorspelt dat de toekomstige produktiegroei in de industrie onder invloed van de energie- en milieuproblemen sterk zal veranderen naar meer kwalitatieve produktie. De energie-intensieve industrie zal zich terughoudend ontwikkelen. Volgens twee scenario's verdwijnt de aluminiumindustrie uit Nederland en zoekt zij een heenkomen in landen als Noorwegen en IJsland waar de energieprijzen lager zijn. De kunstmestchemie vertoont de laagste groei door stagnatie van de vraag, terwijl de “overige chemie” en “overige metaalindustrie” het snelst groeien. Deze sectoren zijn relatief energie- en materiaalextensief: er wordt een grote groei van de toegevoegde waarde gerealiseerd zonder dat dit veel energie en materialen kost.

Duurzaamheid van de samenleving en milieuvriendelijkheid kunnen volgens het ECN worden bevorderd door een toenemend aandeel van elektriciteit in de energievoorziening. Het verloop van veel industriële processen kan met elektrische stroom zuiniger en milieuvriendelijker plaatshebben dan met de inzet van proceswarmte, waarvan veel meer verloren gaat. Zuinigheid met elektriciteit is nodig, maar door de bedoelde omschakeling acht ECN-directeur Van den Kroonenberg elektriciteitsbesparing als doelstelling een “moeilijk te hanteren begrip”.

In de verkeer- en vervoersector kan het brandstofverbruik volgens de ECN-berekeningen drastisch worden beperkt (19 tot 36 procent tegen het jaar 2015) door efficiency- en emissie-eisen en beperking van de maximum-snelheid. Het gebruik van dieselauto's moet, ook bij kleine vrachtauto's, door de hoge uitstoot van stikstofoxyde en stof worden verminderd door overschakeling op benzine of LPG met katalysators. Grote vrachtauto's krijgen een (dure) uitlaatgasreiniging. Om het stadsmilieu te beschermen wordt steeds meer gebruik gemaakt van elektrische auto's en autobussen schakelen over op aardgas. Door al deze wijzigingen daalt de afhankelijkheid van olie in de transportsector (in 1990 96 procent) tegen 2015 tot tussen de 52 en de 72 procent.