De man die auto's vernielde

De Utrechtse politierechter, mr. C. Nunnikhoven, toont zich oprecht verbaasd dat de verdachte is komen opdagen. Nico Hazeldonck is een donkere man van ruim dertig jaar met een ingetogen, zachtmoedig gezicht die bedremmeld de rechtszaal betreedt. Hij is spaarzaam met zijn woorden, maar de zinsbouw is vlekkeloos.

De feiten waarvoor hij terechtstaat, zijn niet al te ernstig, maar soms wel opmerkelijk. Tussen de winkeldiefstalletjes (cola, blikjes zalm, scheerkwast) en lokaalvredebreuk prijken enkele grote vernielingen aan auto's uit de duurdere categorieën. Zo is het gebeurd dat Hazeldonck werd geweigerd in een Utrechts café en vervolgens zijn verontwaardiging even verderop bekoelde op een Mercedes. Het is ook voorgekomen dat Hazeldonck zonder enige aanwijsbare aanleiding een autospiegel molde of een portier fors indeukte.

“Ik had u niet verwacht”, zegt de rechter. “De vorige keer hebben we de zaak aangehouden. U had ons toen laten weten dat u voor vier maanden in een psychiatrische inrichting was opgenomen.”

“Ja. In Santpoort”, zegt de verdachte zacht.

“Vrijwillig?”

“ Ja. Het Riagg heeft me ernaar verwezen. Ik hoorde steeds stemmen. Stemmen van familie. En ik wilde wel eens van de straat af. Ik vond het zwerven na twee jaar moeilijk worden. Ik had in het ziekenhuis een zelfmoordpoging ondernomen.”

“Gaven die stemmen opdrachten?”

“Hing er vanaf. Er waren ook nare dingen bij, maar over het algemeen waren die stemmen ondersteunend. Iets van: je bent een wijze kerel, je schopt je er wel doorheen.”

“Bij die zelfmoordpoging heeft u uw been gebroken?”

“Ja.”

Een jaar lang zat Hazeldonck in de inrichting. Hij was al drie keer eerder opgenomen, zij het voor kortere duur. Op zijn zesentwintigste was hij aan het zwerven geslagen. De reden is onbekend. Tegenwoordig verblijft hij in een project voor begeleid wonen, waar hij zich met nog elf mannen moet zien te redden. Zak- en kleedgeld krijgt hij van de Sociale Dienst.

“Hoe gaat het nu?”, vraagt de rechter.

“Dankzij een anti-drankpil drink ik niet meer”, fluistert de verdachte bijna. “Een paar keer heb ik nog een woedeaanval gehad, gericht tegen mensen. Ik kan dat niet begrijpen.”

De officier van justitie, mr. B. Steensma, wil hem in eerste instantie maar één vraag stellen: “Waren het ook stemmen die zeiden: diefstallen plegen, auto's vernielen?”

“Nee”, zegt Hazeldonck zonder aarzeling.

De bedoeling van de vraag is zonneklaar: was Hazeldonck toerekeningsvatbaar toen hij zijn daden pleegde? Hazeldonck zou het zichzelf gemakkelijker hebben gemaakt als hij de vraag van de officier bevestigend had beantwoord. Maar iedere behoefte aan manipulatie lijkt hem vreemd. Waarom zou hij? Het is de eerlijkheid van iemand die alles verloren heeft en niets meer wil winnen.

Zijn advocaat, mr. R. de Graaf, dringt op aanhouding van de zaak aan. Zijn cliënt had zich pas enkele dagen tevoren bij hem gemeld, het dossier had hij nog niet helemaal kunnen lezen. “Die agressie...ik sluit niet uit dat zijn ziekte daaraan ten grondslag ligt. Daarom zet ik vraagtekens bij de strafbaarheid. Ik vraag om aanhouding totdat een psychiater zich een oordeel heeft gevormd over de toerekenbaarheid.”

De rechter en de officier proberen de advocaat aan het verstand te brengen dat zijn cliënt weinig baat heeft bij aanhouding. “Dan moet de zaak weer naar de rechter-commissaris en vervolgens moet hij naar de psychiater”, zegt de rechter. “Wel een heel gedoe. De vraag is: heeft de stoornis met alle strafbare feiten te maken.”

“Het lijkt me onwaarschijnlijk dat een psychiater hem volledig ontoerekeningsvatbaar verklaart”, zegt de officier. En hij voegt er iets belangrijks aan toe: hij zal straks in ieder geval geen gevangenisstraf eisen.

“Ik kan absoluut niet beoordelen of meneer ontoerekeningsvatbaar is”, peinst de rechter hardop. “Een aantal zaken wijst op beredeneerd handelen.” Dan valt hij zichzelf in de rede: “Het is niet eenvoudig, dit is psychiatrie van de kouwe grond.” Mild wendt hij zich rechtstreeks tot de verdachte: “Wilt u hierover graag zelf met een psychiater praten?”

Hazeldonck aarzelt. De rechter stelt een schorsing voor. Op de gang overlegt de advocaat fluisterend met zijn cliënt, die erbij staat met de onthechtheid van iemand die over het lot van een ánder beslist.

Na enkele minuten keren ze terug in de rechtszaal. De advocaat zegt: “Hij wil niet opnieuw met een psychiater praten. Dus ik trek mijn aanhoudingsverzoek in.”

Het is een houding die je vaker bij verdachten aantreft: die enorme weerzin om opnieuw in de molen van de psychiatrie terecht te komen. Desnoods liever de cel dan de divan.

De rechter vraagt aan Hazeldonck of hij nog steeds stemmen hoort. “Soms”, antwoordt hij. “Het is aanmerkelijk minder geworden.”

De rechter leest de verklaringen voor die de verdachte destijds tegenover de politie heeft afgelegd: “Ik leef in onvrede met de maatschappij, ik krijg geen uitkering meer, geen woning, ik wilde mijn agressie op die auto's afreageren, ik vind dat de maatschappij mij beter moet behandelen.”

“Hoe vindt u dat de maatschappij u nu behandelt?”, vraagt de rechter.

“Wel goed”, zegt Hazeldonck. “Gaat wel.”

“Ik heb een moeilijke vraag”, zegt de advocaat tegen zijn cliënt. “Heeft u enig idee of de agressie zich weer zal voordoen?”

“Ja, het is wel mogelijk”, zegt Hazeldonck toonloos. “Ik hoop het niet.”

De officier bekent dat hij zich de laatste tien minuten steeds heeft zitten afvragen: “Wat moet je als officier in zo'n zaak vragen?” Hij verzoekt ten slotte om schuldigverklaring zonder strafoplegging.

De rechter volgt de officier in zijn eis. “Ik hoop dat het u goed zal gaan”, zegt hij tegen de verdachte. “U zult het uiteindelijk zelf moeten doen.”

Samen met zijn advocaat stapt Hazeldonck even later naar het centraal station. Het is tegen 5 uur, om hen heen haasten forensen zich voort. Hazeldonck is hier gewoon een man die naar huis gaat - aan niets is te zien dat hij soms zo hard tegen auto's trapt dat hij de pijn nog maanden later in zijn benen voelt.

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.