Claustrofobie

“Voor een beter milieu in de toekomst”, zei de omroepster van het journaal.

Nee, daarvoor was de conferentie niet bedoeld. Voor een mogelijke afremming van de versnelling van het tempo van de verslechtering, zo zou je het misschien kunnen uitdrukken. Een uitdrukking waar alleen een wiskundige, vertrouwd met de differentiaalrekening, nog een reëel verschijnsel in zal kunnen herkennen. Begrijpelijk dat het voor kinderen eenvoudiger gezegd moet worden. Je kan er ook niet boos om worden dat de journaalkijkers als kinderen werden toegesproken, want onze arme koningin moest het in een van haar laatste troonredes tegenover de leden van de Staten Generaal nog bonter maken. In het taalgebruik toont zich nog het al verdwenen geloof dat handelend optreden ook tot verbetering moet leiden, alsof dat een onvervreemdbaar mensenrecht zou zijn. De alcoholist die er naar streeft de versnelling van het tempo van de toename van zijn dagelijks gebruik af te remmen. Voor een betere lever. Het minste dat je van hem kan zeggen is dat hij zich op een hellend vlak bezint. Geen reden om zijn pogingen te ontmoedigen.

Er stond een geestverruimend artikel in de Observer over grote roofdieren die in Engeland steeds vaker in het vrije veld gezien worden. Tijger, panter en jonge leeuw waren gesignaleerd. Onder meer in de omgeving van Loch Ness. Dat zal wel te mooi zijn om waar te zijn, maar het voorkomen van de poema werd door deskundigen serieus genomen. Ook niet mis. In de encyclopedie las ik dat de poema 1.60 m lang kan worden. Wat prachtig. Gelukkig het land waar de poema nog door de velden sluipt. Het schijnt te komen door een wet van 1976, die de registratie van gevaarlijke roofdieren verplicht stelde. Veel eigenaars dumpten hun exotische huisdieren liever in de vrije natuur. Dat ze de laatste jaren vaker gezien worden, komt door de toegenomen mobiliteit van autorijders, die 's nachts hun schijnwerpers op afgelegen weggetjes richten. Een agent van de Londense politie volgt nu het spoor van de roofdieren. Als hij ze vindt zullen ze gevangen moeten worden, ook al breekt het hart van de Engelse dierenliefhebber. Niets aan te doen. Een burgemeester die, ten behoeve van de biodiversiteit, schapen, lammeren of zelfs de kleine kinderen van zijn dorpelingen willens en wetens aan wilde poema's zou blootstellen, zou voor gek verklaard worden. Toch zouden de meeste mensen dat het liefste zien, denk ik. Verhalen over het einde van de wereld hebben vaak deze afloop: het laatst overgebleven groepje mensen vraagt zich af wat ze nu moeten doen. De dierentuinen openmaken om de gevangenen te bevrijden. Zo gedaan. Dan is het verhaal uit, hierna kan de schrijver niets meer bedenken. Wat zouden zijn hoofdpersonen verder moeten doen? Struiken planten, hek er omheen en de dieren weer vangen als ze in de buurt komen, iets anders valt blijkbaar niet te verzinnen.

Wat me spijt is dat ik nooit walvisvlees zal eten. De Japanners maken voor zover mij bekend het lekkerste eten ter wereld, dus die moeten weten wat smaakt. Melville geeft in de walvisbijbel Moby Dick overigens niet hoog op van de kwaliteiten van de walvis als maaltijd. Alleen tong en hersenen worden smakelijk beschreven, de rest vindt hij vette blubber. Maar ik vertrouw de Japanners in dit opzicht meer. Het zou wat mij betreft de dichtst mogelijke benadering zijn van kannibalisme, zonder die zonde werkelijk te bedrijven. Op school maakte een biologielerares die wij bewonderden om haar schoonheid, grote indruk door al in een van haar eerste lessen het paren der walvissen te beschrijven. “Als je dan die enorme buiken uit het water ziet opstijgen en hoog in de lucht met een daverende klap tegen elkaar opslaan, jongens en meisjes, dat is een onvergetelijk schouwspel.” Ja, dat konden we ons voorstellen. Haar verloofde heette Gijs, dat had ze ook verteld. Vaak nog kwam het scholierengesprek op opspringende walvissen en juffrouw Hoed en haar Gijs. Toen had ik walvis moeten eten, het was er het moment voor, maar ik dacht dat ik er nog niet aan toe was. Nu is het te laat, ik voel me gedwongen om me aan het advies van de Vrienden van de Aarde te houden.

In deze krant stond dat er per jaar ongeveer 27.000 dier- en plantsoorten uitsterven. Ook werd opgemerkt dat slechts drie procent van de bekende plantsoorten op hun geneeskrachtige werking is onderzocht, zodat waarschijnlijk ieder jaar een rijke onbekende schat aan geneesmiddelen verdwijnt. Die verdwenen geneesmiddelen kunnen me weinig schelen, maar die 27.000 uitgestorven soorten benauwen me. In vorige eeuwen waren er theologische debatten over de vraag of dieren en eventueel planten voor zichzelf bestonden, of dat ze geschapen waren ten behoeve van de mens. Zo'n debat over de wezenlijke aard van een schepsel kan nu niet meer gehouden worden. Weinigen geloven nog dat de essentie van schildpad en garnaal er in ligt dat ze in de soep en de garnalencocktail terechtkomen. Niet dat we daardoor meer op Franciscus van Assisi zijn gaan lijken. De gevoelens waaruit dat oude debat voortkwam, bestaan nog wel, maar het is moeilijk om er woorden voor te vinden die je niet het idee geven dat je jezelf voor de gek houdt. Ik denk dat ik de bedreigde soorten wil behouden om zichzelf, niet om het nut dat ze hebben voor de mens. Als ik dat zeg, hoor ik al de tegenstem. “O ja? Je hebt een vals bewustzijn, het gaat je helemaal niet om die soorten, waar je niet eens de naam van kent, het gaat wel degelijk om jezelf, je wilt een persoonlijk gevoel van claustrofobie bestrijden. Dat is wel het meest egoïstische en slapste argument om de natuur in stand te houden, dat er bestaat.” Dan verzin je er maar iets nuttigs bij, zoals die geneesmiddelen. Nu heb je een redenering die eerlijk klinkt en waarmee je voor de dag kunt komen. Maar juist die redenering is vals natuurlijk, want om die geneesmiddelen gaat het je helemaal niet.