Bulgaarse Turken: we hebben alles

In 1989 namen 350.000 Bulgaarse Turken de wijk naar Turkije, op de vlucht voor de grote bulgariseringscampagne die in 1985 was begonnen. Inmiddels is het Bulgaarse socialisme dood - en gaat het de Turkse minderheid in Bulgarije voor de wind: ze heeft haar vrijheden. Nu gaat het erom ze ook op dorpsniveau geïmplementeerd te krijgen.

SOFIA, 16 JUNI. Yunal Lutfi is een tevreden man. De Turkse minderheid in Bulgarije, zegt hij, heeft in korte tijd bereikt wat ze wilde bereiken: de Turken mogen hun eigen namen voeren, ze mogen Turks leren op school, ze hebben godsdienstvrijheid, ze mogen hun religieuze feesten vieren en daar per jaar vier dagen betaald verlof voor opnemen, er verschijnen Turkse of tweetalige bladen en de Turken zijn op elk gebied van de trias politica vertegenwoordigd. En in de grondwet mag dan staan dat Bulgarije een orthodox land is, er staat ook dat wij moslims gelijke rechten hebben, zegt Yunal Lutfi, en hij rammelt even met zijn zware zilveren armband.

Yunal Lutfi is in het Bulgaarse parlement fractieleider van de Beweging voor Rechten en Vrijheden (DPS), de partij van de Turkse minderheid, die 24 zetels heeft en die in het machtsevenwicht van de twee andere partijen, de Unie van Democratische Krachten (SDS) met 110 zetels en de (ex-communistische) Bulgaarse Socialistische Partij (BSP) met 106 zetels, een wippositie inneemt. De DPS steunt de regerende SDS, maar kan de regering op elk gewenst moment ten val brengen. En dat heeft tot een enorme rechtsverbetering van de Turkse minderheid geleid.

Eigenlijk, zegt Lutfi, kunnen we voor de Turken hier in het parlement niet veel meer doen. Daarom moet de DPS zich omvormen van een partij voor de Turkse minderheid tot een "gewone' politieke partij. Hoe die nieuwe DPS eruit ziet, en hoe ze zich zal onderscheiden van de SDS, kan Lutfi nog niet zeggen: het wordt een liberale partij, meer wil hij er niet over kwijt.

De erkenning van de etnische rechten van de Turkse minderheid in Bulgarije, die tientallen jaren is gediscrimineerd, die in 1985 met veel geweld werd gebulgariseerd en die in 1989 massaal naar Turkije uitweek, is een spectaculair succes van het democratische bewind. Maar het betekent niet dat de Turken uit de zorgen zijn: er zijn nog steeds Bulgaarse nationalisten die, als DPS-leider Dogan en ex-koning Simeon elkaar in Madrid ontmoeten, direct roepen dat “de Turk en de Duitser weer eens beslissen over het lot van Bulgarije”. Veel zaken liggen nog erg gevoelig, zegt Lutfi, daarom wil de DPS ook niet in de regering: “We willen geen ministers. De samenleving is er nog niet rijp voor. Gisteren konden veel Bulgaren nog niet accepteren dat er een Turkse minderheid bestaat. Ze zouden vandaag geschokt zijn als ze Turkse ministers zouden zien”. Maar, zegt Lutfi, we zijn al heel tevreden, “vergeet niet: we begonnen niet op het nulpunt, we begonnen ver onder dat nulpunt, en zie wat we kunnen: we kunnen de regering ten val brengen, we kunnen ministers verwijderen. Er is niets dat we niet kunnen”, zegt Yunal Lutfi, en hij rammelt weer met zijn zilveren ketting, en hij lacht erbij.

Hoe belangrijk ook het succes, problemen blijven er. Van de 350.000 Turken die in 1989 naar Turkije zijn gevlucht zijn er 150.000 teruggekeerd, en velen van hen slagen er niet in de huizen terug te krijgen die ze indertijd gedwongen waren voor een spotprijs te verkopen. De werkloosheid onder de Turken is enorm. De oude nomenklatoera zit in de dorpen nog in het zadel, en waar nieuwe burgemeesters zitten hebben ze vaak geen ervaring. Maar dat zijn problemen op het niveau van de dorpen, die moeten daar worden opgelost, niet hier in het parlement. Waar het om gaat is dat de transformatie van Bulgarije een proces is dat doorgaat, en dat we vreedzaam moeten zien te houden.

Lutfi is niet pessimistisch: er zijn Bulgaarse extremisten, zegt hij, maar ze hebben de wind tegen, zelfs extremisten hebben het nu druk met overleven, ze hebben ook een vrouw en kinderen die te eten moeten krijgen. En we wijzen op Joegoslavië, in Bosnië kun je zien wat een etnisch conflict kan veroorzaken.

Remzi Osman is lid van Lutfi's fractie, hij is een van de acht parlementsleden uit Kurdzjali. We treffen hem op een terrasje naast de vierkante moskee en de oriëntaals aandoende markt in Kurdzjali, een provinciestad in het zuidoosten van Bulgarije, in vriendelijk en leeg bergland. Op het oog verloopt de transformatie van Bulgarije in deze arme uithoek langzamer dan in Sofia, want hier heet de Leninstraat nog gewoon Leninstraat en de Georgi Dimitrov Boulevard nog Georgi Dimitrov Boulevard, hier ontbreekt dat jachtige dat Sofia sinds kort kenmerkt: hier speelt het leven zich nog vooral af onder de asma, dat dak van wijnranken in de tuin en op het balkon van de flats.

Er is niettemin veel veranderd in deze streek, zegt Remzi Osman, zeker als we het over de Turkse minderheid hebben. Twee jaar geleden was dit oorlogsgebied, en nu, kijk hoe vreedzaam het hier toegaat.

Hoeveel etnische Turken er in de stad Kurdzjali wonen weet Osman niet, Bulgarije heeft zijn Turken nooit geteld. Maar te oordelen naar de uitslagen van de verkiezingen, waarbij de Turken, gemotiveerd als ze waren, en bloc op de DPS hebben gestemd, moeten het er 15.000 zijn, tegen 30.000 Bulgaren. Er zijn in 1989 17.000 Turken vertrokken.

Wat is veranderd, sinds die tijd, is vooral de mentaliteit, zegt hij. “Voor het eerst hebben mensen zich gerealiseerd dat een Turk de baas kan zijn. De Turken zijn hier in de minderheid, maar ze hebben de verkiezingen glansrijk gewonnen, zes van de acht parlementariërs uit Kurdzjali zijn Turken, in alle zeven gemeenten zijn de burgemeesters Turken en heeft de DPS de absolute meerderheid in de gemeenteraden. Makkelijk was het niet, in het begin is er veel frictie geweest, “Bulgaarse nationalisten speelden in op de religieuze gevoelens van de Bulgaren en de DPS kon aanvankelijk niet worden geregistreerd. Ik was vroeger rij-instructeur. Plotseling werd ik parlementslid. Dat was voor de Bulgaren niet makkelijk te accepteren”.

Problemen zijn er nog te over. De Turken mogen op school Turks leren, maar er zijn geen leraren en er zijn ook geen vacatures, want de schoolhoofden zijn nog van de oude stempel en werken niet mee. Bij de politie werken alleen Bulgaren, zelfs op het platteland, waar tachtig procent van de inwoners Turk is. De Turken zijn ondervertegenwoordigd bij de rechterlijke macht en als er ontslagen vallen, zijn het eerst de zigeuners die de laan worden uitgestuurd en vervolgens de Turken. Kurdzjali is de provincie met de hoogste werkloosheid van Bulgarije, dat is de schuld van het socialisme, zegt hij, het wilde hier niet investeren, het wilde ons dwingen te verhuizen naar andere delen van Bulgarije, waar we onze identiteit zouden opgeven. Van de arbeiders die hier worden ontslagen is tachtig procent Turk. We hebben op lokaal niveau ook geen blad dat voor ons opkomt, er is een krant, de Nov Zjivot (Nieuw Leven), maar die is in handen van de ex-communisten, die is tegen ons. En we hebben een tweede moskee nodig, die ene is te klein, bij het Bajram-feest kon lang niet iedereen erin.

Maar tevredenheid domineert. We hebben ons gematigd opgesteld, zegt Remzi Osman, en dat hebben de Bulgaren ook gedaan. Veel winkels hebben Turkse eigenaars en Bulgaars personeel en omgekeerd en wat je op dit terras hoort is Turkse muziek, maar de eigenaar van het café is een Bulgaar. Er is veel tolerantie, over en weer, we zijn geen fanatici, we zijn de moslims van de 21ste eeuw.

Een paar kilometer buiten Kurdzjali ligt Tsjerno Otsjene, een stoffig dorp in de bergen, met twee cafés vol mannen met flessen bier, en met hurkende mannen in de schaduw van de bomen. De hele gemeente telt zes dorpen met samen 17.500 Turken en maar 500 Bulgaren, die allen in één van die zes dorpen wonen.

Hier maakt Mehmet Nejatin de dienst uit, een kleine levendige man die zich een paar dagen niet heeft geschoren. Hij is burgemeester. Hij is ook de enige academicus van Tsjerno Otsjene, een gemeente van tabaksboeren.

De angst is weg, zegt hij. Vroeger waren we bang, vroeger kon je naar het beruchte kamp Belene worden gestuurd als je Turks sprak, zelfs in je eigen huis, sommigen van ons hebben in Belene gezeten. Nu hebben we Bajram voor het eerst openlijk gevierd, onder de populier op het plein van het dorp. We hebben ons cultuurhuis, waar we onze traditionele liederen en dansen leren van onze grootmoeders, de enigen die ze nog kennen. En we hebben onze namen terug, zegt Mehmet Nejatin, vroeger moest ik me Nino Rodopski noemen.

Het is nog maar een begin, want we mogen Turks leren, op school, maar we hebben geen leraren en geen leerboeken, net zoals we geen juristen en geen artsen hebben, onze beste mensen zijn in 1989 naar Turkije vertrokken, ik loop nu de scholen af om studiebeurzen uit te delen. We hebben een moskee nodig, de moskee die we nu hebben is in een woning gevestigd. En we moeten Turkse politiemannen opleiden, onze agenten zijn nog steeds de oude Bulgaren.

Ook hij prijst de tolerantie, niemand legt de Bulgaren iets in de weg en de enigen die de afgelopen jaren uit Tsjerno Otsjene zijn vertrokken zijn de vroegere burgemeester en de vroegere politiechef, maar die waren hier ook alleen maar om ons onder de duim te houden. Verder bestaat er geen animositeit. De Bulgaren zijn geen fanatici en de Turken zijn het ook niet, we zijn geen fundamentalisten, zegt Mehmet Nejatin. Hoe zouden we ook, het vorige regime heeft de religie zo vervolgd dat we onze grootmoeders nodig hebben om onze gebruiken te leren. En hij staat op, de kleine burgemeester van het stoffige bergdorp, stapt over een slapende hond heen en verdwijnt in de zon.

Foto: Kurdjali met zijn markt en moskee: “Twee jaar geleden was dit oorlogsgebied”. (Foto Peter Michielsen)