Belangen Duitse boeren lopen sterk uiteen

BONN, 16 JUNI. Het is nu bijna een maand na het grote EG-landbouwakkoord dat, simpel gezegd, de “historische” bocht van prijs- naar inkomenssubsidies nam; dat de buiten de EG gewraakte “Brusselse” subsidiestroom althans voorlopig naar nationale inkomenscompensaties verplaatste; en dat, ruim vijf maanden na de Maastrichtse verdrags-akkoorden over de Europese Politieke en Monetaire unies, de ruim twee decennia oude Europese landbouwunie een heel ander aanzien gaf. Wie weet was er zelfs een verband tussen beide Europese gebeurtenissen.

Het beeld nu: de Duitse boerenstand klaagt, maar erkent dat een beter akkoord niet of nauwelijks te bereiken was. Minister Ignaz Kiechle, lid van de Beierse CSU, zegt voortdurend dat hij heeft gevochten als een leeuw maar in Brussel ten slotte de Duitse landbouwvlag moest strijken. Hij geeft een ook buiten Duitsland niet onbekende politieke voorstelling voor het ooit zo machtige groene front: u gelieve mij niet naar het resultaat maar naar de vertoonde inzet te beoordelen. Aan dat verzoek is inmiddels eigenlijk ook wel voldaan.

Het beeld voorts: de bond van belastingbetalers mokt stevig over de kosten van de afgesproken inkomenssubsidies voor de boeren. De Duitse exportindustrie, die hoopt dat het EG-landbouwcompromis de kans op een wereldomvattend GATT-akkoord - op meer vrijheid in de wereldhandel dus - verbetert, is tevreden. Maar daarvan geeft zij voorzichtig blijk om de stemming in de agrarische wereld niet verder te verslechteren. Kortom: de weliswaar geamendeerde maar op hoofdzaken toch aanvaarde voorstellen van de Ierse Eurocommissaris MacSharry hebben in Duitsland niet echt tot een nationaal debat geleid.

De politieke partijen in de Bondsdag prijzen het Brusselse akkoord als het maximaal haalbare, als zij tot de regeringscoalitie behoren (zoals de CDU/CSU en de FDP). Of zij noemen het waardeloos, als zij sowieso boerenkiezers noch regeringsverantwoordelijkheid hebben (zoals de SPD).

Op verre pagina's in de kranten berichten deskundigen over de vaak kostelijke details van de Brusselse afspraken. Voor welke melk- of moederkoeien straks een EG-identiteitsbewijs ter controle nodig zal zijn bijvoorbeeld. Of hoe men de afgesproken inkomenscompensatie voor de verlaging van de gegarandeerde graanprijs (29 procent) het beste incasseert. Namelijk: door voortaan granen te verbouwen die als veevoeder dienen, zodat wél de inkomenscompensatie telt maar niet de verlaging van de graanprijs.

De Duitse landbouwmarkt kan niet worden vergeleken met, zeg, de homogene en hoogwaardige Nederlandse of de op export georiënteerde Franse. Naast grote en commercieel rendabele landbouwbedrijven in een deelstaat als Nedersaksen kent het land bijvoorbeeld in de Beieren veel kleine, structureel noodlijdende boeren, die hun landbouwbedrijfjes trouwens vaak als part-timers runnen. Links en rechts van een verkeersweg of tegen de rotsige helling van een Beierse berg. Over de beoogde (gepremieerde) braaklegging van landbouwgrond berichten zij hun vrouw dus veel opgewekter dan hun collega's in Nedersaksen. In Oost-Duitsland, waar ook de vroegere staatslandbouw nu een sterke kaalslag-achtige ontwikkeling doormaakt, is de toestand wéér anders. Daar gaat een gigantische uitstoot van arbeid gepaard met een trend in de richting van grote kapitaalintensieve bedrijven die voorshand nog even profiteren van Duitse en Europese uitzonderingsregelingen.

Waar de “agrarische” Duitse kiezers naar belang heterogeen zijn, en naar aantal flink geslonken, kunnen politieke maskerades als hierboven beschreven voorspoedig bestaan. Dertig jaar geleden moest CDU-kanselier Konrad Adenauer boerenchef Rehwinkel nog geregeld uitleggen dat óók de Duitse agrariërs om historische redenen hun bijdrage moesten leveren aan de financiering van het Europese landbouwbeleid, dat in het voordeel was van landen als Frankrijk, Italië en Nederland. Adenauers politieke achterneef Helmut Kohl leeft in heel andere tijden, hij heeft nog geen woord verspild aan het Brusselse EG-akkoord van 22 mei jongstleden.

De grote grief van de Duitse boerenbond (DBV) over de Brusselse afspraken is dat de Duitse boeren als min of meer vrije ondernemers nu afhankelijk worden van rechtstreekse “nationale” inkomenssubsidies. Materieel is er zo op het oog weinig verschil tussen de vroegere gesubsidieerde EG-prijsgaranties (en de boterbergen en melkplassen die daarvan het gevolg waren) en de inkomenssteun die daarvoor in de plaats komt. Maar, zo sprak DBV-voorzitter Heeremann, voor de Duitse ondernemers-agrariërs is het een teer punt dat zij voor hun inkomen een nationaal toegepaste “sociale” compensatieregeling moeten aanvaarden.

Wat de DBV betreft moeten “de politici” er nu wel voor zorgen dat deze compensaties een duurzaam karakter krijgen. DBV-voorzitter Heeremann: “We hebben daaromtrent enige twijfel. Eerder, in 1966 werden de (gegarandeerde) graanprijzen al verlaagd terwijl inkomenscompensaties werden toegezegd. Die verdwenen toen anderhalf jaar later, om nationale budgettaire redenen. Dat mag nu niet weer zo gaan, een hernieuwde vertrouwensbreuk zou ook slecht zijn voor de politiek.”

En overigens voorziet de Duitse boerenbond wat iedereen voorziet, namelijk dat kleine agrarische bedrijven nu nog meer gedoemd zijn te verdwijnen. De SPD'er Koltzsch zei het eind vorige maand in de Bondsdag zó: de uitgaven voor de EG-landbouwpolitiek dalen voorshands niet, zij zullen alleen nog sterker voor rekening van de Duitse belastingbetaler komen.

Met hem waarschuwden alle woordvoerders voor nog iets heel anders. Namelijk: de nu eindelijk afgesproken hervorming van de Europese landbouwpolitiek heeft naar zijn opzet nog maar een voorlopig karakter. Als de EG, en als de regering in Bonn, ernst wil maken met alle vriendelijke verklaringen aan het adres van Oosteuropese landen en de vroegere Sovjet-Unie, dan zal zal zij juist voor die landen, met hun grote potentiële landbouwkwaliteit, méér export-ruimte moeten maken. Opdat die landen de kans krijgen om via de landbouw straks het geld te verdienen dat zij op hun weg naar de markteconomie voor investeringen dringend nodig hebben. Maar die boodschap klinkt in de Bondsdag iets vanzelfsprekender dan in de Assemblée Nationale of de Tweede Kamer.