Polen

Redacteur Peter Michielsen werpt in zijn beschouwing over de val van de Poolse regering (NRC Handelsblad, 5 juni), premier Olszewski het oplopende begrotingstekort voor de voeten; een begrotingstekort dat hem keer op keer ministers kostte en nog eens werd verscherpt door de politieke tegenstelling tussen premier en president.

Al onder de regering van Bielecki, de liberale premier die de shock-therapie van Balcerowicz doorzette, begon het begrotingstekort uit de hand te lopen. Dit werd mede veroorzaakt door het uitblijven van noodzakelijke veranderingen bij bedrijven; stagnatie waar de juist afgetreden Olszewski de schuld van krijgt.

Het merendeel van de staatsbedrijven - die aan zo'n 70 procent van de beroepsbevolking werk bieden - ving importprijsstijgingen en subsidieverminderingen niet op door een efficiëntere bedrijfsvoering of marktgericht handelen. In plaats daarvan gingen bedrijven alleen de prijzen voor haar eigen produkten verhogen of in de betalingen aan crediteuren snijden. Dat bood het ministerie van financiën de mogelijkheid om de staatssector via belastingmaatregelen uit te melken en de particuliere sector belastingsvakanties toe te staan.

Deze politiek, duidelijk bedoeld om zoveel mogelijk inkomsten voor de hervormingen te vergaren, bleek echter alleen op korte termijn te werken: na stabilisatie van het reële inkomen en de effecten van de ineengestorte Oost-Oost handel, kwam 39 procent van de staatsbedrijven in de rode cijfers. Dit had drastisch dalende belastinginkomsten, grotere druk op de staatskosten en een nieuw budgettekort tot gevolg, grotendeels door de verloren belastinginkomsten veroorzaakt.

De regering van Olszewski erfde dus van haar voorganger een wankel macro-economisch evenwicht. Voeg daarbij nog eens de onrealistische verwachtingen die de partijen tijdens de verkiezingen hadden gewekt, dan heeft Olszewski een Herculestaak volbracht door nog zo lang tussen de hamer van de inflatie en het aambeeld van de recessie te laveren.