Poëzie in onverkorte Les Troyens in Brussel

Voorstelling: Les Troyens van H. Berlioz door de Nat. Opera Brussel o.l.v. Sylvain Cambreling m.m.v. o.a. Françoise Pollet, Ronald Hamilton, William Stone, Kathryn Harries en Elzbieta Ardam. Decors: Luigi Fanti; kostuums: Joachim Herzog; regie: Peter Mussbach. Gezien: 10/6 Kon. Muntschouwburg Brussel. Herhalingen: 16, 19, 21, 24, 27, 30/6.

Les Troyens, het magnum opus van Hector Berlioz, werd lange tijd te omvangrijk gevonden om op één avond ongecoupeerd uit te voeren, hoewel dat bezwaar nooit gold voor Die Meistersinger von Nürnberg, de meest eindeloze opera van Wagner. Naarmate Les Troyens vaker in zijn geheel wordt uitgevoerd, lijkt het tweedelige stuk met vijf bedrijven wel steeds langer te worden. Berlioz, die zelf het werk nooit in zijn geheel hoorde, rekende op minder dan drieëneenhalf uur muziek. De Scottish Opera deed in 1969 nog iets meer dan vier uur over de ongecoupeerde Engelse versie. De Bastille-opera in Parijs werd in 1990 geopend met een Troyens van vier uur en een kwartier. En de Brusselse Opera presenteert nu Les Troyens met ruim viereneenhalf uur muziek.

De opera zal volgend jaar tijdens een Vara-matinee in het Holland Festival onder leiding van Edo de Waart in concertante vorm worden uitgevoerd. En Pierre Audi, de artistiek leider van de Nederlandse Opera is vast van plan Les Troyens nog eens scènisch in Amsterdam te brengen. Laat hij het snel doen, voor de tweedelige opera met vijf bedrijven uitdijt tot de proporties van Wagners Ring (vier avonden) of Stockhausens Licht (zeven avonden).

De produktie die nu in Brussel gaat is van Peter Mussbach, de regisseur die vorig jaar in het Holland Festival samen met Frans Brüggen een mislukte voorstelling produceerde van Mozarts Idomeneo, ook een opera met de Trojaanse oorlog als uitgangspunt. Hoewel Mussbach natuurlijk niet echt veranderd is, blijkt de Brusselse Troyens ten opzichte van de Amsterdamse Idomeneo een verbetering: decor en aankleding zijn minder knullig of ridicuul en de karakterisering van de personages is minder karikaturaal.

De stijl is zelfs wat ouderwets te noemen, in de afwisseling van statische scènes en de plastische beweging van het koor degelijk-Italiaans en in de uitbeelding van de handeling nogal hinderlijk ongeloofwaardig: zoals dat volk dat telkens languit op de grond gaat liggen wanneer Cassandra of Dido iets hebben te vertellen.

En verder is Sylvain Cambreling een geëngageerder operadirigent dan Brüggen. Het eerste deel, De inname van Troje, klonk mij zelfs veel te fel in de oren. Het decor, een soort houten kijkdoos met zuilen rondom, werkt akoestisch al te reflecterend en het koor overschreeuwt menigmaal het orkest. De muziek van Berlioz, waarvan de dramatiek meer gediend is met intensivering van de welluidendheid, wordt hier gebracht met de extreme expressie van Strauss' Elektra - ook al een vervolg op de Trojaanse oorlog.

En al kan Françoise Pollet in de rol van Cassandra die tevergeefs waarschuwt voor de list met het paard, zich niet meten met het uitzinnige wraakzuchtige getier dat Strauss' titelheldin pleegt te produceren, ze probeert het helaas wel. Mooi gevonden is hier de verschijning van het paard: het richt zich als een silhouet op vanuit de parketvloer.

Het tweede deel, De Trojanen in Carthago - waarin koningin Dido vergeefs probeert Aeneas, die naar Italië moet om Rome te stichten, met haar vurige liefde vast te houden - is muzikaal en vocaal overtuigender. Cambreling en zijn orkest zijn vaak fraai op dreef. Kathryn Harries, die bij de Nederlandse Opera zong in Ariane et Barbe-bleu van Dukas, vertolkt hier op lyrische en tot het uiterste gedreven wijze de rol van Dido. Elzbieta Ardam heeft een uitstekend gezongen rol als Dido's zuster Anna. En de Aeneas van Ronald Hamilton, een lyrische tenor met de kracht van een klaroen, is van bijzondere klasse. Wat een vervoerend duet zingt hij met Harries.

Vrouwen, daar gaat het om in Les Troyens. Cassandra en Dido zijn twee even sterke personages en vormen tegelijkertijd in hun maatschappelijk functioneren elkaars tegenpolen. Cassandra voorziet de ramp die het Trojaanse paard zal teweegbrengen, ze zet zich in voor haar volk en laat zich niet overmeesteren: ze doorsteekt zichzelf maar blijft rechtop staan. Dido probeert zich vergeefs geheel over te geven aan de liefde voor Aeneas, ze vergeet ondertussen haar volk te regeren en als Aeneas is vertrokken betreedt ze de brandstapel en laat haar volk definitief in de steek.

Dat alles - decor, kostumering èn de brandstapel met gestileerde vlammen - hier urenlang vuurrood is van Dido's brandende liefde, lijkt mij een al te eenvoudig idee van Mussbach. Maar temidden daarvan is de vierde acte met die wonderbaarlijke muziek van Berlioz toch een poëtisch hoogtepunt. Geen ballet, zoals Berlioz wilde in de Chasse royale et orage, geen duister mysterie, zoals Ruth Berghaus destijds toonde in haar verbeeldingsvolle produktie in Frankfurt, maar een treffende uitbeelding van de totale zinsbegoocheling waaraan een ieder ten prooi is en waarbij men verdwaasd achteruit wankelt in deze betoverde liefdestuin. Terwijl Dido probeert Aeneas in te palmen, schaken diens mannen de vrouwen van Carthago, als oefenden zij al voor de Sabijnse maagdenroof, die later de basis zou leggen voor de bevolking van Rome.