Massa-colleges zijn uit de tijd

Steeds vaker horen we over beschamende taferelen bij massa-colleges binnen onze universiteiten. Studenten die zitten te kletsen, te roken, te kaarten. Docenten die, ondanks microfoon, met hun stem niet boven het rumoer kunnen uitkomen. Het verschijnsel is zeker niet van vandaag of gisteren, maar mogelijk dat het zich nu in erger vorm voordoet dan voorheen.

Het komt allemaal, zeggen sommigen, doordat een nieuw type student zich heeft aangediend: jongens en meisjes die eigenlijk geen enkele belangstelling hebben voor het vak dat ze zijn gaan studeren, laat staan voor "de wetenschap', maar die in de studie louter een middel zien om straks een leuke baan met een leuk salaris te bemachtigen. Zelfs zouden er zijn die zich enkel laten inschrijven om een paar jaar te profiteren van alle mooie studentenvoorzieningen. Andere commentaarschrijvers leggen de schuld veeleer bij docenten die van hun lessen weinig weten te maken.

Er zit misschien wel iets in beide verklaringen, maar er is meer aan de hand. We dienen te beseffen dat het klassieke hoorcollege, waarbij de docent spreekt, de student noteert, een onnoemelijk primitieve vorm van kennisoverdracht is. Alsof de boekdrukkunst nog niet is uitgevonden, laat staan de computer.

Het resultaat is er dan ook naar. Een tip voor docenten die willen weten wat er van hun betoog overkomt. Ga in de koffiepauze tussen twee college-uren eens neuzen in de aantekeningen van studenten. Dat is leerzaam en onthutsend. Een massa-college heeft alleen zin als het gegeven wordt door een begenadigde en gedreven docent die er een ware performance van maakt. Zoals de legendarische prof. H.J. Pos, wiens "algemene colleges' altijd bomvol zaten met een ademloos luisterend publiek. Goed, dat was vroeger, maar ik maak mij sterk dat zoiets ook nu mogelijk is. Absolute voorwaarde is dan wel dat studenten volledig vrij zijn om zo'n college al of niet te volgen.

Alle andere massa-colleges, zeker als zij een (semi-)verplicht karakter dragen, vragen om ellende. Want waar mensen schuilgaan in een anonieme massa, wordt het slechtste in hen wakker. Ook wie kwam met de beste voornemens, vervalt licht tot wangedrag of iets wat daar dichtbij komt. Toegegeven, een wet voor alle tijden is dit niet helemaal. Ook vlak na de oorlog waren er al massa-colleges (ofschoon niet zo massaal als nu), waarbij het toch min of meer ordelijk bleef. Min of meer! Want ook toen kon het gebeuren dat iemand ergens achter in de zaal halfluid uitriep: “Schiet niet op die man, hij staat er voor zijn brood!” Zulks tot algemeen vermaak.

Maar hoe dan ook, dergelijke colleges zou men, liever vandaag dan morgen, moeten afschaffen. Als ik ook eens opruiende taal mag uitslaan: mochten de autoriteiten daar niet voor voelen, dan zouden de docenten collectief kunnen weigeren ze nog langer te geven. Of studenten om erheen te gaan.

Maar daar moet dan wel iets tegenover staan. Want "hoger onderwijs voor velen' moge dan in de gegeven omstandigheden voor docenten geen pretje zijn, voor studenten, juist de serieuze onder hen, is het allemaal nog veel erger. Zoals een veelbelovende eerstejaars rechtenstudent mij eens zei: “Als ik morgen doodval, zal niemand aan die hele klote-universiteit mij missen.” Zo is het precies! Er is in het eerste jaar vaak geen enkel contact tussen student en docent, trouwens in latere jaren soms ook niet. De universiteit verwordt zo tot een tentamenfabriek, met een overmaat aan multiple choice vragen.

Stel, een studierichting telt negenhonderd eerstejaars. Waarom zou men die niet opdelen in, ik noem maar wat, zestig klasjes met ieder vijftien studenten? Je hebt dan twintig docenten nodig, die er ieder drie van voor hun rekening nemen. Ze zouden die "klassen' wekelijks bijvoorbeeld drie uur college (of les) kunnen geven, dus per docent negen lesuren per week (een leraar bij het VWO geeft tot 29 uren les per week). Dat onderwijs zou intensief kunnen en moeten zijn en veel van de studenten vergen. Geregelde spreekbeurten bijvoorbeeld, met discussie na, verder schriftelijk werk dat de docent naziet en met de groep bespreekt. Didactische mogelijkheden te over bij zo'n klein aantal.

Het grootste voordeel zou evenwel zijn dat zo'n docent zijn of haar studenten goed leert kennen, en talenten vroegtijdig ontdekt en kan aanmoedigen. Anderzijds zouden "onwaardige' studenten op die manier snel gesignaleerd en daardoor eerder geloosd kunnen worden. Schools, zo'n aanpak? In zekere zin wel, ja, maar dat heeft ook zo zijn voordelen. Studenten zullen dat accepteren, mits ze als volwassenen benaderd worden. Dat blijkt daar, waar het onderwijs nu al ongeveer op deze wijze gegeven wordt.

Niet iedereen zal even blij zijn met een voorstel als dit. Er zijn natuurlijk ook tal van reële bezwaren tegen aan te voeren. Maar ik vrees toch vooral dat menig docent zich er te goed voor zal achten. Stel je vóór, driemaal in een week dezelfde lessen! Maar, denk ik dan, ze worden er tenslotte voor betaald, bovendien valt er aan dit soort intensief onderwijs enige voldoening te beleven. En in ieder geval zullen die afschuwelijke confrontaties met een vijandige, roerige menigte tot het verleden behoren.

Meer dan dertig jaar geleden kwam aan de Universiteit van Amsterdam een architect praten met het College van Rector en Assessoren (zo heette dat toen) over de bouw van een aantal grote collegezalen. Hij vroeg aan welke eisen die moesten voldoen. Een vergrijsde geleerde, daar aanwezig, sprak: “Wat mij betreft aan helemaal geen. Bouw die zalen liever niet, dan houden die massa-colleges vanzelf op.” Daar is toen nog danig om gelachen - sommige mensen zijn hun tijd te ver vooruit.