"Maastricht' niet in strijd met Grondwet

NRC Handelsblad van 11 juni 1992 maakt melding van een artikel van A.W. Heringa in het Nederlands Juristenblad, waarin deze verdedigt dat voor de parlementaire goedkeuring van het Verdrag van Maastricht een tweederde meerderheid nodig is, omdat het verdrag op twee punten in strijd zou zijn met de Grondwet.

Heringa meent dat de in het verdrag afgesproken monetaire unie en het visumbeleid in strijd zijn met respectievelijk artikel 106 en artikel 2, lid 2 van de Grondwet. Hierdoor zou de voorwaarde van artikel 91, lid 3 van de Grondwet van toepassing zijn. Hierin wordt bepaald dat een van de Grondwet afwijkend verdrag met ten minste tweederde van het aantal uitgebrachte stemmen moet worden goedgekeurd.

Het initiatief van Heringa om een debat over het Verdrag van Maastricht nu eindelijk ook in Nederland van de grond te tillen is prijzenswaardig, de argumenten die hij gebruikt om de knuppel in het hoenderhok te gooien zijn echter niet op hun plaats.

In artikel 2, lid 2 staat dat een wet afkomstig van de regering en de Staten-Generaal de toelating van vreemdelingen regelt. Artikel 106 van de Grondwet schrijft voor dat een wet afkomstig van de regering en de Staten-Generaal het geldstelsel regelt. Artikelen als deze komen veelvuldig in de Grondwet voor. Een van de vele voorbeelden is art. 104 Grondwet: “Belastingen van het Rijk worden geheven uit kracht van de wet. Andere heffingen van het Rijk worden bij de wet geregeld.” Betekent dit nu, zoals fiscaal-juristen nog wel eens menen, dat er bij verdrag geen belastingen mogen worden geheven? Nee, het gaat hier slechts om een afbakening van bevoegdheden naar beneden. Het is aan een lagere regelgever dan de formele wetgever - regering en Staten-Generaal samen - niet toegestaan belastingen te heffen, uitgezonderd het geval waarin de formele wetgever hem hiertoe machtigt.

Een ander voorbeeld is het als vanouds als codificatie-artikel te boek staande art. 107 Grondwet. Hierin staat dat de wet het burgerlijk recht en strafrecht regelt in algemene wetboeken. Betekent dit nu dat de regeling bij verdrag van het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst in het inmiddels voor Nederland in werking getreden EG-verbintenissenverdrag van 1980 strijdig is met dit grondwettelijk voorschrift? En dat dit verdrag derhalve met gekwalificeerde meerderheid door het parlement had moeten worden goedgekeurd?

De Hoge Raad heeft een soortgelijke vraag al in 1906 in ontkennende zin beantwoord. In wat toen werd gezien als een baanbrekend arrest besliste het hoogste rechtscollege dat de regering op tweeërlei manier wetgevend gezag kan uitoefenen: als deel van de wetgevende macht en als vertegenwoordiger van de staat bij het bestuur van de buitenlandse betrekkingen. Van strijd met het codificatie-artikel was geen sprake. Die uitkomst lijkt vrij vanzelfsprekend: wat de formele wetgever is toegestaan, moet de hogere regelgever - de verdragsluitende organen - toch zeker zijn toegelaten. Bovendien zijn de staatsorganen die het verdrag sluiten, dezelfde als die samen de formele wetgever vormen, namelijk regering en Staten-Generaal.

Heringa's argumentatie lijkt alleen al om deze reden niet steekhoudend. Er is echter nog een reden. Zou in ons staatsrecht een ander systeem van doorwerking van het verdragsrecht worden gehanteerd, bijvoorbeeld een stelsel als het Duitse waarin de goedkeuringswet wordt beschouwd als de wet waarin het verdragsrecht wordt omgezet in nationaal recht, dan is de Europese Akte kennelijk niet strijdig met voornoemde grondwettelijke bepalingen. Dat lijkt een onhoudbaar standpunt.