FRANCISCO FERNANDEZ ORDOÑEZ; Vredestichter in binnen- en buitenland

MADRID, 15 JUNI. Met het afscheid van Francisco Fernandez Ordoñez als minister van buitenlandse zaken verdwijnt één van de belangrijkste en in ieder geval de meest geliefde Spaanse politicus van de laatste vijftien jaar van het toneel. Een man die in al die tijd “niet van ideeën is veranderd, niet van vrouw, van huis of van hond”, zoals het oppositionele dagblad El Mundo gisteren schreef in beschouwing die bijna een heiligverklaring was.

Ordoñez was de enige denkbare opvolger voor Felipe Gonzalez die misschien nog wel meer stemmen zou trekken dan de huidige minister-president zelf. Als hij er tenminste voor zou voelen om zijn politieke carrière voort te zetten. Maar dat wil hij niet. Al voor de verkiezingen van 1989 kondigde hij aan dat hij niet meer als bewindsman zou terugkeren en in de afgelopen tweeënhalf jaar heeft hij de regeringsleider herhaaldelijk verzocht om hem van zijn taak te ontheffen. Gonzalez kon hem echter moeilijk missen. Ordoñez is volgens alle opiniepeilingen de meest gewaardeerde minister van het kabinet en werd rond de afgelopen jaarwisseling door verscheidene media tot "Spanjaard van het jaar' uitgeroepen, met een ruime voorsprong op filmsterren, quizmasters, de wielrenner Miguel Indurain en de premier zelf. Binnen de regering fungeert hij bovendien als vredestichter tussen de twee elkaar bestrijdende kampen van de socialistische partij. Zijn vakbekwaamheid is onomstreden en ook onder de Europese collega's geniet hij dankzij een combinatie van vriendelijkheid, redelijkheid en bescheidenheid ruime sympathie. Tijdens de top van Maastricht moest hij echter al wegens gezondheidsproblemen verstek laten gaan en twee weken geleden kwam de 62-jarige volledig uitgeput terug van een reis door Latijns-Amerika. Vanaf zijn ziekbed, smeekte hij of het nu genoeg mocht zijn. Gonzalez zal naar verwachting voor het eind van de week de naam van Ordeñez' opvolger bekend maken, maar de premier zal in elk geval zelf Europa gaan doen, zo heeft hij aangekondigd.

Ordoñez kon ondermeer uitgroeien tot een unieke politiek figuur doordat hij een brug vormt tussen de verlichte burgerij, die al in de jaren zestig inzag dat het Franco-regime niet kon voortduren, en de jonge socialisten die nu al meer dan tien jaar het land besturen.

Hij werd in 1930 geboren in een gegoede Madrileense familie, wilde aanvankelijk musicus worden maar studeerde rechten in Spanje en economie aan Harvard. Hij maakte carrière in de advocatuur en het zakenleven en bracht het in Franco's nadagen onder Carrero Blanco zelfs tot directeur van de holding van staatsbedrijven INI. Tegelijkertijd beleed hij zijn liefde voor de democratie en de literatuur in het tijdschrift El Ciervo, een verzamelpunt van progressieve katholieken.

In de overgangsperiode na de dood van de dictator werd hij lid van de UCD van premier Suarez. Als minister van belastingzaken voerde hij een ingrijpende stelselwijziging door en als minister van justitie onder Calvo Sotelo zette hij in 1981 het land op zijn kop door een wetsontwerp te introduceren dat echtscheiding toestond. De wet werd aangenomen tegen de zin van zijn eigen partij maar met hulp van de oppositie. Ordoñez verliet daarop de UCD en stichtte een eigen, sociaal-democratische groepering die zich voor de verkiezingen van 1982 aansloot bij Gonzalez' PSOE.

Onder de socialisten stond hij aan het hoofd van de nationale exportbank tot hij zeven jaar geleden voor de portefeuille van buitenlandse zaken werd gevraagd. Hij heelde wonden van het NAVO-referendum, leidde Spanje de EG binnen, verbeterde de relaties met Noord-Afrika en knoopte diplomatieke betrekkingen met Israel aan die inmiddels zo stevig zijn dat Jeruzalem vorig jaar als eerste "ja' zei toen Madrid werd genoemd als plaats voor de Midden Oosten-conferentie. Dat Spanje ook door alle andere partijen probleemloos als gastland werd geaccepteerd, zag men in Madrid terecht als een compliment voor het buitenlands beleid zoals dat onder leiding van Ordoñez is gevoerd.

Zijn eigen politieke opstelling is bekend, hij is een behoudende sociaal-democraat. Naar eigen zeggen laat hij zich echter nooit door ideologische abstracties leiden maar altijd door de definitie van de praktische taak die hij zich heeft gesteld.

In zijn studententijd ontdekte hij dat hij niet genoeg talent bezat om een belangrijk dichter te worden. Daarom koos hij voor “een dienende rol, een carrière in dienst van mijn land”. Nu die taak volbracht is, hoopt hij zich alsnog aan de literatuur, en in het bijzonder aan de literaire essayistiek, te kunnen wijden.