Een beweging zonder doel

In het debat over de Deense afwijzing van het Verdrag van Maastricht is de kloof tussen de politieke elite en de burgers in Europa in alle toonaarden bezongen. De gretigheid waarmee deze verklaring ook door de betrokken politici is omhelsd zou te denken moeten geven. Want het vage populistische motief van ballorigheid en onbehagen bij een groeiend aantal kiezers dreigt een preciezer motief van de nee-stemmers te verdoezelen. Het verdrag over de monetaire en politieke unie is zo kwetsbaar gebleken, omdat het een buitengewoon ingewikkeld en bouwvallig compromis is. En dat heeft op zijn beurt alles te maken met diepgaande meningsverschillen tussen en soms ook binnen de regeringen van de twaalf lidstaten. De weerzin tegen "Maastricht' komt niet zozeer voort uit de afstand tussen de politieke bovenlaag en de bevolking, als wel uit de afstand tussen Bonn, Londen, Den Haag en Dublin. De politieke elites zijn met hun nationale emoties de Deense burgers voorgegaan.

Het Deense "nee' zegt dan ook vooral iets over het onvermogen van de Deense regering om het verdrag te verdedigen, hetgeen al bleek uit de ridicule dreigementen met chaos door premier Schlütter.

Juist omdat het zo'n moeizaam vergelijk is geworden, kan het Verdrag van Maastricht van twee kanten worden aangevallen, waarbij menigmaal uiteenlopende politieke overwegingen elkaar raken. Verwijten over de zwakte van het verdrag in sociaal of democratisch oogpunt, kunnen heel gemakkelijk vermengd raken met een meer nationalistisch getint verzet tegen de Europese Gemeenschap als zodanig. Degenen die vinden dat "Maastricht' niet ver genoeg gaat, kunnen verleid worden tot de opvatting: waarom zouden we goede nationale wetgeving opgeven voor weinig overtuigende Europese regelingen?

Het Deense "nee' neemt niet weg dat de fundamentele motieven die aan het verdrag van Maastricht ten grondslag liggen nog steeds geldig zijn. In West-Europa kruisen twee lange termijn ontwikkelingen elkaar: een verscherpte economische concurrentie in de driehoek Verenigde Staten-Japan-West-Europa enerzijds en de Duitse eenwording en de desintegratie in het oosten anderzijds. De eerste drijft naar een economische en monetaire coördinatie in Europa, de tweede speelt zich af in een veelhoek, die steeds meer zijden krijgt: VS-Frankrijk-Duitsland-Rusland-Polen enzovoorts. In beginsel kan aan de Oosteuropese omwenteling een argument voor verdergaande politieke samenwerking in West-Europa worden ontleend.

De monetaire en politieke unie waren bedoeld als uitrusting voor deze historische uitdagingen. In 1986 werden tamelijk eensgezind de eerste stappen naar een gemeenschappelijke markt gezet. Die consensus is ruw verstoord door het revolutiejaar 1989. De politieke elite in diverse Westeuropese landen raakte aangestoken door het besef dat in het oosten "geschiedenis' met een hoofdletter werd geschreven en wilde terecht niet achter blijven. Maar het verval in het oosten en de Duitse eenwording riepen vergaande vragen op, waarover geen overeenstemming bestond en ook nimmer had bestaan.

De Europese integratie is namelijk nooit meer geweest dan het geloof in een methode van economische vervlechting en in een begeleidende routine van politieke compromisvorming. De Amerikaanse politicoloog Stanley Hoffmann schreef lang geleden al dat de Europese Gemeenschap “de gok is om consensus over het uiteindelijke doel te vervangen door beweging als een doel in zichzelf”. Nooit is er ook maar minimale overeenstemming geweest over het beoogde doel en de reikwijdte van de Europese integratie. Over de politieke vorm die het economische samenwerkingsverband dient aan te nemen en over de plaats van de Europese Gemeenschap in de internationale betrekkingen hebben de betrokken lid-staten nooit een samenhangende visie geformuleerd. Die vragen werden tussen haakjes geplaatst en dat was lange tijd een grote kracht van de Gemeenschap. Zonder te weten waarheen men ging, werden stap voor stap nieuwe beleidsterreinen de Europese integratie binnen gesmokkeld.

De abrupte omslag van 1989 heeft de politieke leiders van West-Europa overvraagd. Het Verdrag van Maastricht is vooral een samenvatting van de verwarring die heerst. Het is een uiterst ondoorzichtig compromis, dat op papier al heel wankel leek, maar in zijn praktische realisering eerder dan verwacht op grote moeilijkheden stuit. Maar ook al zou de tekst uiteindelijk door de andere elf lidstaten worden geratificeerd, dan nog zijn kansen op uitvoering van de afspraken over de politieke unie en waarschijnlijk ook de monetaire unie niet erg groot.

De turbulentie in het post-communistische Europa heeft namelijk de fundamentele zwakte van de Europese Gemeenschap blootgelegd. Het geloof in een methode en een routine is onvoldoende gebleken op een moment dat duidelijke politieke doelstellingen moesten worden vastgelegd. Maar de tegenstellingen en misschien meer nog de onzekerheid veroordelen de Europese integratie tot een onbestemd tussengebied, waar noch het Europese parlement, noch de nationale parlementen werkelijk greep op hebben. Zo verspeelt de Europese Gemeenschap haar effectiviteit en legitimiteit.

De Gemeenschap kon na 1989 niet meer voortgaan als een "beweging zonder doel'. Tegelijkertijd moet de poging om in een relatief korte tijd van nog geen twee jaar die historische erfenis ongedaan te maken, voorlopig als mislukt worden beschouwd. Of er iets na dat "voorlopig' komt, valt te bezien, want misschien kan de Europese Gemeenschap met haar huidige lidstaten niet veel meer zijn dan "een beweging zonder doel'.

Dus al degenen die nu op een wel heel bevoogdende manier pleiten voor het afremmen van het integratieproces, zodat de burgers het bij kunnen benen, onderschatten de diepgang van de problemen waarmee de Gemeenschap kampt. Oud-premier Martens zei tijdens een uitzending van Het Capitool (7 juni) laconiek, dat volgens hem verscheidene van de aanwezige regeringsleiders niet begrepen wat er in Maastricht werkelijk werd besloten.

De tegenslag van het Deense "nee' wijst op een onoverbrugbaar meningsverschil over de toekomst van de Gemeenschap dat niet langer kon worden ontweken. Noch de verklaarde federalisten, noch hun opponenten hebben werkelijk een levensvatbaar idee over de bestemming van het Europa van de Twaalf. Op de principiële vraag of een functionerende democratie mogelijk is op een grondgebied dat 340 miljoen inwoners omvat en twaalf natie-staten met heel uiteenlopende (politieke) culturen, talen en welvaartsniveaus, is nooit een bevredigend antwoord gegeven. De institutionele en democratische zwakte van het verdrag van Maastricht zijn daar een weerslag van.

Het is dan ook onverantwoord om te zeggen dat "Maastricht' een eindpunt is. Als het verdrag een overgangsfase markeert, zijn heel veel van de wankele compromissen te verdedigen, maar als bestendige vorm van de Europese Gemeenschap is het Verdrag van Maastricht tamelijk rampzalig. Mocht de integratie op dit punt stagneren, dan is er meer verloren dan gewonnen; dan zijn de nationale staat en daarmee de parlementaire democratie verzwakt, zonder dat een levendige democratie en werkbare instituties op Europees niveau zijn ontstaan.

Hoe men het ook wendt of keert, het Verdrag van Maastricht is niet toereikend om aan de integratie in Europa meer democratische legitimiteit en politieke samenhang te geven en zou daarom wel eens als onbedoeld gevolg een nationale terugslag kunnen oproepen. Het zal helemaal ontoereikend blijken op het moment dat de Gemeenschap groeit tot achttien of meer leden. Een nuchtere conclusie is dan ook dat het Verdrag van Maastricht al is achterhaald voordat het geratificeerd zal worden. Als het ooit zo ver komt.