De viool van Harry Mulisch

In 1966 richtte hij een partij op om te keer te kunnen gaan tegen het regentendom in Nederland, om het politieke bestel op te blazen zelfs. En nu? Nu is Hans van Mierlo feestredenaar op de oprichtingsvergadering van de Vereniging van D66-gemeente- en provinciebestuurders, afgelopen zaterdag in Bodegraven.

Aan deze paradox beleefde hij duidelijk minder vreugde dan aan de vele andere die hij in 25 jaar blootlegde. “Zijn wij met deze vereniging geen verraders van onszelf geworden?” vroeg hij zich af. De verzamelde D66-bestuurders werden gewaarschuwd: “De bestuurder als mensensoort is een onuitstaanbaar type, een ramp. Ik vind jullie vereniging best, maar als je maar uitkijkt!” Daarna liet hij schoorvoetend weten: het moet ook weer niet te gek worden, die ongebonden D66-mentaliteit. Maar niet omdat D66 is veranderd, nee, omdat de tijden zijn veranderd. Van gideonsbende is de partij in de afgelopen jaren nu eenmaal “een latente hoofdmacht” geworden.

En dus wordt het D66-imago geschaad door de relatief vaak aftredende D66-wethouders. Maar het is allemaal verklaarbaar, stelde hij zijn gehoor onmiddellijk gerust. “De partij moet zichzelf ontdekken in een nieuwe rol. En voor die overgangssituatie is deze vereniging een goede zaak.”

In antwoord op vragen hoe D66 met de macht omgaat, moesten - zei Van Mierlo - zijn partijgenoten maar reageren met een verwijzing naar Harry Mulisch. Die antwoordde op een vraag of hij viool kon spelen: “Weet ik niet, nog nooit gedaan.” (HS)