De EMU kan er maar beter niet komen; De prijs voor de geestelijke luiheid moet worden betaald nu Maastricht van tafel is; Nog gevaarlijker is de invloed van het Deense referendum in Duitsland

Het is adembenemend. De federalisten in ons land en daarbuiten hebben voor de tweede keer het nakijken. Vorig jaar bleek al dat het Nederlandse supranationale plan volstrekt onhaalbaar was.

In Maastricht was overeenstemming mogelijk omdat er werd gewerkt op basis van het Luxemburgse plan, dat minder macht aan het Europees Parlement en op minder terreinen de meerderheidsregel van toepassing verklaarde dan het verworpen Nederlandse plan. Nu lijkt het er sterk op dat zelfs deze verwaterde versie een brug te ver is geweest. De conclusie is langzamerhand onontkoombaar, bijna alle leden van de naoorlogse kabinetten, bijna alle Nederlandse parlementariërs en bijna alle Nederlandse media hebben een supranationaal Europa-beleid verdedigd dat, afgezien van de merites, in ieder geval volstrekt onhaalbaar is.

In Nederland bestond en bestaat er een consensus dat kleine landen uitsluitend kunnen overleven in een supranationaal Europa. Het alternatief, een intergouvernementeel Europa, zo vreest men zal onverbiddelijk leiden tot een directorium van de grote staten. Deze dubieuze stelling, directoraatvorming geldt namelijk eveneens in een supranationaal Europa, is op zichzelf al een indicatie van het niveau van het Europa-debat in ons land, maar daar gaat het nu niet om. De ontwikkelingen na het Deense referendum hebben duidelijk gemaakt dat het supranationale Europa verder weg is dan ooit. Nu de prijs voor de geestelijke luiheid moet worden betaald en Maastricht van tafel is, is het meer dan ooit wenselijk om in Nederland in brede kring met een Europa-debat te beginnen.

Niet alleen de Denen hebben second thoughts over Maastricht. Mitterrand heeft een referendum uitgeschreven in de hoop dat een positieve uitslag zijn tegenstanders verdeelt en de positie van de verzwakte socialistische partij veilig te stellen. Ook in Ierland is de uitslag van het referendum van 18 juni nog geen gelopen race. In de eerste plaats hebben de Ieren een lange traditie van neutraliteit, in de tweede plaats hechten Ieren veel waarde aan het ongeboren leven. Daarom hebben zij in Maastricht er zorg voor gedragen dat een afzonderlijk protocol bij het Unieverdrag bepaalt dat de vrijheid van personenverkeer het in Ierland bestaande zeer strikte abortusverbod niet mag aantasten. De zaak van een verkracht veertienjarig meisje dat aanvankelijk niet maar later wel naar het Verenigd Koninkrijk mocht reizen om zich daar te laten aborteren, lijkt de betekenis van het Protocol te hebben aangetast. Het probleem doet zich nu dus voor dat zowel de pro-abortus groepering als anti-abortus liga zich tegen Maastricht lijken te keren. De pro-abortus groep keert zich tegen Maastricht vanwege het Ierse Protocol en de anti-abortus groep wijst erop dat de Maastricht regeling kennelijk niet in staat is geweest om het ongeboren leven van het veertienjarige meisje te redden.Ierland heeft net als Spanje, Portugal en Griekenland ook nog een ander probleem met Maastricht. Tot hun grote schrik hebben deze landen namelijk ontdekt dat het zogenaamde cohesiefonds van Maastricht nu veel minder serieus wordt aangepakt dan toen werd gesuggereerd. Zonder een substantiële steun van het rijke Noorden aan het arme Zuiden en Ierland zullen de laatste niet kunnen participeren in een EMU. Het is dan ook niet ondenkbaar dat de arme landen Maastricht niet zullen ratificeren als de rijke landen hun afspraken over de structuurfondsen en het cohesiefonds niet nakomen.

Nog veel gevaarlijker is de invloed van het Deense referendum in Duitsland. Daar is zo langzamerhand bijna niemand meer bereid de Deutschmark op te geven. Als er dus sprake is van heronderhandeling, zoals commissaris Andriessen dit weekeinde eindelijk heeft toegegeven, zullen de Duitsers proberen om de invoering van een gemeenschappelijke munt af te laten hangen van de goedkeuring van het Duitse Parlement en de deelstaten. Als dat lukt is de EMU van de baan.

Het ziet er dus naar uit dat Maastricht heronderhandeld gaat worden, ook al doen Kohl en Mitterrand hun uiterste best om de uitslag van het Deense referendum als een incidenteel bedrijfsongeval af te doen.

Welke aspecten van het verdrag moeten we behouden en welke niet?

Het is van het allergrootste belang dat de Europese akte niet wordt aangetast en in de supranationale zuil blijft zitten. De Nederlandse verzorgingsstaat wordt voor zestig procent in het buitenland verdiend. Dat betekent dat wij zeer afhankelijk zijn van de bereidheid van onze afnemers om onze produkten en diensten te blijven kopen. Daarom hebben wij een internationaal forum nodig waarin wij onze afzetbelangen kunnen verdedigen. Sterker nog, slagvaardig optreden tegen protectionisme in de lidstaten om onze export veilig te stellen kan alleen als er met meerderheid wordt gestemd. Dit was uiteindelijk de reden waarom Thatcher de Europese Akte accepteerde.

Voorkomen moet worden dat alle plannen voor een zogenaamde gemeenschappelijke Europese buitenlandse politiek in een supranationaal vaarwater komen. Het mooie van Maastricht was dat de meerderheidsregel op dit gebied uitsluitend kon worden toegepast voorzover het uitvoeringsmodaliteiten betrof en pas na een unanimiteitsstemming. Dat moeten zo blijven omdat de Europese lidstaten geen gemeenschappelijke belangen ten aanzien van internationale problemen hebben. Als men leden met uiteenlopende belangen in een supranationaal kader perst, zullen er altijd wrijvingen en twisten zijn die nadelige gevolgen kunen hebben voor de economische kant van de gemeenschap. Wat het buitenlands beleid betreft kan Europa niet functioneren zonder de Amerikaanse pacificator en de NAVO. Het is in dit verband dan ook wrang te moeten constateren dat in ons land zowel de PvdA als D66 keer op keer toch weer hun oren laten hangen naar al die vage Europese defensieplannen. Hoe kunnen wij nu het Frans-Duitse defensiecorps serieus nemen als de Fransen het zien als een middel om hun onafhankelijkheid jegens Amerika te vergroten en hun machtsverval te maskeren terwijl Duitsland het presenteert als een middel om Frankrijk weer in de NAVO te krijgen?

We zouden veel fundamenteler moeten nadenken over het zogenaamde "democratische deficiet'. Dit tekort doet zich uitsluitend voor zodra ons land geen vetorecht meer heeft. Indien we dat wel hebben kan het parlement een minister een heel duidelijk mandaat geven voor het standpunt dat hij moet verdedigen in Brussel. Als ons land dan toch zijn zin niet krijgt in Brussel, kunen we de hele zaak blokkeren. Probleem is echter dat een succesvolle implementatie van de gemeenschappelijke markt toepassing van de meerderheidsregel vereist. Met andere woorden: de noodzaak van een slagvaardig beleid brengt automatisch een democratisch tekort met zich mee. Op het eerste gezicht lijkt dit niet zo erg omdat in Maastrich het Europees Parlement inzake de implementatie van de gemeenschappelijke markt grotere bevoegdheden heeft gekregen.

Deze redenering is echter te simpel. In de eerste plaats bestaat er een verschil tussen het Europees parlement en een nationaal parlement. In het nationaal parlement zou het zo moeten zijn dat de parlementariërs proberen op te komen voor het algemeen belang van Nederland en zich niet laten inpakken door vertegenwoordigers van deel-belangen. Iedereen weet dat dit op nationaal niveau niet altijd lukt, maar in het Europees parlement lukt het helemaal niet. De Franse jurist Cohen-Tanugi legt in zijn boek L'Europe en danger uit hoe dat komt. Europa is geen staat en al helemaal geen natie met een gemeenschappelijke cultuur en taal. Deze vaststelling betekent dat aan de bevolking van de EG dan ook niet zoiets kan worden toegeschreven als een algemene volkswil die in het Parlement tot uitdrukking komt. De Euro-parlementariërs komen namelijk niet op voor het Europees belang, wat dat is weet niemand, maar voor een nationaal belang.

In de tweede plaats dient men te beseffen dat elke vergroting van bevoegdheden van het Europese Parlement ten koste gaat van het nationale. Aangezien Europa nog steeds niet de harten van de mensen in de straat heeft veroverd zal een verkleining van de macht van Den haag leiden tot een nog grotere vervreemding van de burger van de politiek. Waar dat toe kan leiden hebben we in Denemarken gezien. Deze twee argumenten zouden moeten nopen tot grotere prudentie jegens voorstellen die de bevoegdheden van het Europees Parlement willen vergroten. Veel beter zou het zijn om in Nederland een Deens gebruik over te nemen. Voordat er een Nederlandse minister naar een Raad van Minsters afreist dient hij eerst een mandaat te halen bij het Parlement. Bij terugkeer dient hij zijn stemgedrag te rechtvaardigen, lukt hem dat niet dan kan hij heengaan. Dat heengaan heeft natuurlijk weinig zin als de minster overstemd werd omdat de meerderheidsregel werd gehanteerd. Dit is dus een extra reden om de toepassing van de meerderheidsregel zoveel mogelijk te beperken.

Ten slotte moeten we ophouden met onzin te verkopen over de EMU. De federalisten hebben grote sommen geld gestopt in een promotiecampagne van de EMU. De Amerikaanse topeconoom, Martin Feldstein, toont in The Economist , niet als eerste, aan dat de voordelen van een gemeenschappelijke markt heel goed kunnen worden behaald zonder een gemeenschappelijke munt. In zijn visie zou een invoering van een dergelijke munt zelf de handel binnen Europa kunnen verminderen, de werkloosheid vergroten en de inflatie laten oplopen.

De handel zou kunnen verminderen om twee redenen. Stel een Britse exporteur wil produkten verkopen op de Franse markt maar ontmoet daar Amerikaanse concurrentie. Nu deprecieert de dollar ten opzichte van de Franse franc. Het gevolg is dat de Britse exporteur niet meer goed kan concurreren omdat het Britse pond een vaste wisselkoers heeft met de Franse franc. De tweede reden dat de handel inkrimpt hangt samen met arbeidsspecialisatie. Een gemeenschappelijke markt stimuleert de lidtstaten tot het produceren van die goederen waarin zij comparatieve voordelen hebben. Het vervelende is echter dat specialisatie hen kwestbaarder maakt voor fluctuaties in de vraag of verandering van smaak. Nationaal monetair beleid kunnen deze fluctuaties verminderen mits een land een eigen munt heeft. Indien een land geen eigen munt heeft het ook geen eigen monetair beleid meer en is het dus overgeleverd aan de bovengenoemde fluctuaties. Dit betekent dat een gemeenschappelijke markt met een gemeenschappelijke munt uiteindelijk zal leiden tot minder arbeidsspecialisatie en dus ook minder schaalvoordelen en minder handel.

Tegenover het dubieuze voordeel van een gemeenschappelijke munt dat de transactiekosten verminderen, staat echter het nadeel van het verlies van een onafhankelijk monetair beleid. Als landen die hun produkten niet meer kwijt kunnen, niet meer kunnen devalueren blijft er maar een uitweg over, het moeizame aanpassingsproces via de lonen en de prijzen. Aangezien de lonen en prijzen zich maar langzaam aanpassen betekent dit dat output nog meer zal verminderen en werkloosheid zal oplopen. Een dergelijk proces creëert grote politieke instabiliteit. Mensen als Le Pen varen daar wel bij.

Het verlies van een onafhankelijk monetair beleid betekent natuurlijk dat er een gemeenschappelijk monetair beleid voor in de plaats komt. Een dergelijk beleid werkt uitsluitend als de lidstaten dezelfde economische problemen hebben en er een hoge arbeidsmobiliteit tussen hen bestaat. Aan beide condities is niet voldaan in Europa. Inwoners van de lidstaten zijn verknocht aan hun grondgebied en zullen dus weigeren om van gebieden met een hoge werkloosheid te verhuizen naar gebieden met meer arbeidsplaatsen. Bovendien verschillen de lidstaten in hun economische problematiek, ze maken verschillende produkten, zijn meer of minder afhankelijk van gemporteerde olie en verkopen hun produkten naar verschillende buitenlandse markten. Een gemeenschappelijk beleid kan in een dergelijke situatie weinig uitrichten.

Langzamerhand vraagt men zich af: als een gemeenschappelijke munt niet nodig is om handel te bevorderen en als het (omdat men niet meer kan devalueren en lonen en prijzen zich maar moeilijk aanpassen) leidt tot werkloosheid, waarom staan dan toch zoveel mensen in Europa een EMU aan te prijzen?

Het antwoord van Feldstein is onthullend. Men kiest voor een EMU als middel om de inflationaire politiek van de eigen regering te beperken. Het is echter nog maar de vraag of de Europese Centrale Bank wel net zo politiek onafhandelijk zal zijn als de huidige Bundesbank (die overigens bij de vereniging een gevoelige deuk heeft opgelopen omdat er een wisselkoers tussen de West en de Ostmark werd afgesproken die economisch onverstandig was). Anderen verdedigen een EMU omdat ze genoeg hebben van het a-symmetrische karakter van het huidige EMS. Binnen het EMS bepaalt de Bundesbank de rente. Met name de Fransen hopen via de EMU meer greep te krijgen op het Europese rentebeleid om zodoende een minder stringent monetair beleid te verkrijgen dan nu het geval is. Feldstein stelt dan ook ironisch vast dat sommige verdedigers van een EMU dit doen om inflatie te bestrijden en anderen dit doen om de Duitse deflatiepolitiek te verminderen.

Er is ook nog een derde politieke reden achter het EMU project. Een EMU is een prachtig instrument om een Europese politieke unie van de grond te krijgen. Een gemeenschappelijke munt zou een prachtig symbool zijn van het verenigd Europa en een signaal dat Europa nu toch echt een echte staat is geworden. Bovendien zou een gemeenschappelijke munt en een gemeenschappelijk monetair beleid automatisch leiden tot een verlies van nationale autonomie op het gebied van belasting -en begrotings-maatregelen.

Feldsteins theorie toegepast op Nederland levert het volgende beeld op: Nederland zit al in een de facto monetaire unie met Duitsland en als er een land is dat goed in staat moet worden geacht om de loon- en prijs-spiraal in bedwang te kunnen houden dan is het Nederland wel. Dat zal vermoedelijk wel overleven in een EMU. De werkelijke problemen liggen dan ook ergens anders. Een EMU leidt tot grote politieke spanningen niet alleen in deelnemende landen die de loon- en prijs-spiraal niet in bedwang kunnen houden, maar ook tussen de deelnemende landen en de landen die niet mee mogen doen. Nog meer instabiliteit is het laatste wat we kunnen gebruiken in een tijdperk waarin het wegvallen van de dreiging uit het oosten allerlei centrifugale krachten in het leven roept. Laten we hopen dat de EMU sneuvelt tijdens de heronderhandelingen. Dan kunen we ons weer richten op zaken die veel belangrijker zijn: de Uruquay ronde en de verbreding van de gemeenschap. Foto: Deense tegenstanders van "Maastricht' vieren hun overwinning. (Foto Reuter)