Dales vindt actief verzet tegen racisme "burgerplicht'; "Geloven christenen, joden en islamieten wel in dezelfde god?'

AMSTERDAM, 15 JUNI. De overheid zal een krachtig beleid voeren tegen racisme en discriminatie en “daar kunt u ons aan houden”, zei minister Dales (binnenlandse zaken) gisteren in de Mozes- en Aäronkerk in Amsterdam waar haar een Appel tegen Vreemdelingenhaat van 233.796 ondertekenaars werd aangeboden. Ieder van deze appellanten verplicht zich ertoe om in de eigen omgeving (werk, school en vereniging) actief stelling te nemen tegen uitingen van haat tegen vreemdelingen.

Actief verzet tegen discriminatie is volgens Dales een echte "burgerplicht'. Daarvoor bestaat, zo concludeerde zij, kennelijk een breed draagvlak. De minister waarschuwde in het bijzonder tegen dikwijls onbewuste discriminatie in de werksfeer. Juist die vorm vindt zij zeer gevaarlijk. Ook zei Dales dat van de overheid erg veel verwacht wordt op het gebied van discriminatiebestrijding, maar dat Den Haag wat dat betreft ook al heel wat gedaan heeft. Bijvoorbeeld door aanscherping van de strafmaat bij racistische delicten. Verder wees de minister op de grote verontrusting in de samenleving over de criminaliteit onder bepaalde groepen allochtonen.

Nadat in januari van dit jaar een aanslag was gepleegd op een moskee in Amersfoort en de Amsterdamse burgemeester Van Thijn bij de Auschwitz-herdenking de vrees had uitgesproken dat het daar niet bij zou blijven, kwam een aantal maatschappelijke en religieuze organisaties met een initiatief voor het appel tegen vreemdelingenhaat. Volgens de initiatiefnemers werd dat nog urgenter omdat zich in Nederland na Amersfoort nog tal van racistische incidenten hebben voorgedaan. Vier in Den Haag, twee in Maastricht. Maar ook in Alblasserdam, Almere, Amsterdam, Den Bosch, Emmeloord, Geldermalsen en andere plaatsen.

In het aan minister Dales aangeboden Appel heet het dat Nederland multi-etnisch is en zal blijven en dat allochtonen misschien wel problemen hebben, maar geen probleemveroorzakers zijn. Verder dat racistische incidenten door politie en justitie serieus moeten worden behandeld, dat "razzia-achtige' controles op illegaal werk niet mogen voorkomen en dat er voor iedereen volledige vrijheid van godsdienstbeleving moet bestaan.

Wat de godsdienstvrijheid betreft, werd op een interreligieuze studie-bijeenkomst die aan de presentatie van het appel voorafging vastgesteld dat tussen christenen, islamieten en joden nog veel misverstanden en argwaan bestaan. De problemen tussen joden, christenen en islamieten zijn niet alleen historisch en politiek beladen bijvoorbeeld door het Israelisch-Palestijns conflict, maar ook door oude onderlinge, theologische vijandsbeelden. Rabbijn A. Soetendorp meent dat christenen zich van hun kant niet te veel moeten bemoeien met de dialoog tussen joden en islamieten. Die relatie zou nog te broos zijn. Imam A. van Bommel van het Moslim Informatie Centrum zei dat christenen de dialoog met andere godsdiensten dreigen te overheersen omdat ze geneigd zijn elk initiatief naar zich toe te trekken.

Volgens de christelijk-joods-islamitische initiatiefgroep moet tussen de religies in Nederland een continu en intensief gesprek op touw worden gezet. Daarbij wordt er vanuit gegaan dat “binnen de context van de Nederlandse grondwet integratie met behoud van culturele eigenheid mogelijk is”. Sinds de Golfoorlog zijn de drie in gesprek.

De gereformeerde predikant J. Slomp die zich in opdracht van zijn kerk bezighoudt met de christelijk-islamitische ontmoeting in Nederland, meent dat bilaterale besprekingen tussen joden en christenen, christenen en islamieten of islamieten en joden alleen maar nieuwe anti-gevoelens kunnen oproepen en dat ze gedrieën moeten overleggen. Volgens de predikant speelt in dit verband ook de vraag of christenen, joden en islamieten eigenlijk wel in één en dezelfde God geloven een belangrijke rol. Vooral binnen het christelijk basisonderwijs - als er ook kinderen uit gezinnen die niet of anders geloven in dezelfde klas zitten - is dit vraagstuk volgens Slomp urgent.