"Daar hebben ze mensen zoals ons nog nodig'; Profiel van DE NEDERLANDSE EMIGRANT

Eind maart besloot het kabinet actieve overheidsbemoeienis met emigratie van Nederlanders te staken. Emigratieverdragen met Brazilië en Nieuw-Zeeland werden opgezegd. Minister De Vries (sociale zaken) wil ook de subsidie aan het Nederlands Migratie Instituut (NMI) met een kwart verminderen. Donderdag zal minister De Vries het kabinetsbesluit verdedigen voor de vaste Kamercommissies voor het minderhedenbeleid en voor sociale zaken.

“Nu zitten we al vijf jaar in deze nieuwbouwwoning en over vijf jaar zitten we hier tien jaar. Ik wil een uitdaging in mijn leven”, zegt Toine Cornelissen (35). Samen met zijn vrouw Jacqueline Hoijtinck (37) en hun twee kinderen is hij van plan naar Nieuw-Zeeland te emigreren, “want daar hebben ze mensen zoals wij nog nodig”.

Toine Cornelissen loopt al jaren met emigratieplannen rond. Tien jaar geleden meldde hij zich bij een van de emigratiecentrales. “Daar werd ik zo enthousiast gemaakt dat ik meteen naar een reisbureau liep om te kijken hoe duur de reis zou zijn.” Enkele weken geleden toog hij naar het Nederlands Migratie Instituut (NMI) in Den Haag, nu met meer concrete plannen. Dit keer liep het anders. “Hun aanpak was kritisch, eerder demotiverend dan stimulerend.”

In de jaren vijftig ondersteunde de Nederlandse regering emigranten nog met speciale regelingen. In totaal zouden 550.000 Nederlanders emigreren. In 1952 bereikte deze landverhuizing een hoogtepunt toen 81.000 mensen de haven van Rotterdam uitvoeren, op weg naar een nieuwe toekomst.

Het aantal emigranten liep sindsdien echter gestaag terug. Jaarlijks emigreren nu nog ongeveer 2.000 Nederlanders naar een van de traditionele emigratielanden Canada, de Verenigde Staten, Australië, Nieuw-Zeeland en Brazilië. Volgens cijfers van het Gemeenschappelijk Emigratiekantoor in Den Haag is het aantal emigranten nog altijd dalende. In 1989 waren het er 1.821, in 1990 1.632. Maar het Nederlands Migratie Instituut (NMI) in Den Haag bestrijdt die cijfers. Volgens het instituut, dat zich baseert op het aantal verstrekte emigratievisa, zijn de vertrekcijfers sinds 1984 stabiel gebleven. Verhuizing naar EG- of andere Westeuropse landen buiten beschouwing gelaten, emigreerden volgens het NMI in 1990 2.168 Nederlanders.

Eind maart deelde minister De Vries van sociale zaken en werkgelegenheid, onder wiens portefeuille het emigratiebeleid valt, de Tweede Kamer mee dat het kabinet had besloten de actieve overheidsbemoeienis met emigratie te staken, “omdat emigratie al vele jaren niet meer beschouwd kan worden als een beleidsinstrument om de situatie met betrekking tot de werkgelegenheid of de bevolkingsomvang te reguleren”.

Een andere overweging voor het kabinetsbesluit heeft volgens de minister te maken met de strenge toelatingseisen die de traditionele emigratielanden tegenwoordig hanteren. Alleen vermogende dan wel goed opgeleide Nederlanders zouden nog welkom zijn en die zijn ook zonder hulp van de overheid in staat hun emigratieplannen te realiseren.

Het principebesluit van het kabinet moet een bezuiniging van ongeveer tien miljoen gulden opleveren. De emigratieverdragen met Brazilië en met Nieuw-Zeeland, goed voor duizend emigratieplaatsen per jaar, worden eenzijdig opgezegd. De drie nog functionerende Nederlandse emigratiekantoren in Nieuw-Zeeland zullen worden gesloten en de emigratie-attaché's die er nu zijn op de Nederlandse ambassades in de Verenigde Staten, Canada, Australië en Nieuw-Zeeland zullen verdwijnen. Het NMI, dat emigranten op diverse manieren begeleidt, zal een kwart van de toegezegde subsidie van ruim twee miljoen gulden per jaar moeten inleveren.

Het migratie-instituut, dat in zijn huidige vorm pas een jaar bestaat, beschikt over zes kantoren en achttien spreekuurplaatsen in het hele land. Daarnaast geeft het NMI voorlichting op verzoek van groepen, instellingen of scholen en initieerde ook zelf voorlichtingsbijeenkomsten. In 1992 waren dat er elf die in totaal ongeveer drieduizend belangstellenden trokken. Deze vorm van voorlichting is inmiddels gestaakt.

De consequentie van het kabinetsbesluit is volgens NMI-directeur Z. Kutluer dat het instituut alleen nog maar passief kan reageren op de vraag naar voorlichting. “En zelfs daarvoor ontbreekt up-to-date materiaal.” In tegenstelling tot de minister beschouwt Kutluer emigratievoorlichting als een morele verplichting van de Nederlandse overheid. “Veel potentiële emigranten beseffen niet wat hen te wachten staat. Nu al keert ruim dertig procent na korte of langere tijd weer terug naar Nederland. Als ze slecht voorbereid vertrekken, zal de kans op mislukking verder toenemen. Wat er allemaal mis kan gaan haal je niet uit een toeristische film of een folder met de toelatingscriteria die de ambassades verstrekken. Objectieve voorlichting blijft noodzakelijk.”

Vertegenwoordigers van de Nederlandse gemeenschap in Nieuw-Zeeland spraken in een brief aan de Nederlandse ambassadeur van “een dolksteek in de rug”. Het bestuur van het NMI stelt in een brief aan de vaste kamercommissies voor het minderhedenbeleid en sociale zaken dat het kabinet op op geen enkele wijze overleg heeft gevoerd met de betrokken instellingen of ambassades.

“Barbecuen in de natuur, het buitenleven, de ontspannen manier waarop mensen met elkaar omgaan”, dat zijn voor Ronald Schildknegt (32) uit Zoetermeer redenen om naar Australië te emigreren. Hij beschikt over een diploma vakbekwaamheid horeca en is elektrotechnicus. Momenteel is hij werkzaam als barkeeper in een discotheek maar gezien zijn leeftijd ziet hij daar geen toekomst voor zichzelf weggelegd. “Ik merk nu al hoe moeilijk het voor mij is om een nieuwe baan te vinden. Ik oriënteer me daarom nu op de Australische arbeidsmarkt. Misschien vind ik daar ook niets maar of ik het nu hier voor mijn plaat krijg of daar, dat maakt niks uit. Nu zit ik hier maar in die galerijflat en kan nergens anders heen.”

Zijn 32-jarige vrouw Jennie weet exact wat emigratie inhoudt. Zelf verhuisde ze in 1954 met haar ouders naar Australië, waar ze opgroeide. Haar vader kon er niet echt aarden. “Hij bleef altijd heimwee houden”, zegt Jennie. “Mijn moeder paste zich beter aan, hoewel ze altijd zei dat het in Nederland toch zo gezellig was.” In 1974 keerden de toen 15-jarige Jennie en haar ouders terug naar Nederland. Maar een jaar of drie geleden begon ze te twijfelen. “Ik vond Nederland zo vol, zo benauwd.” Met haar man vertrok ze voor acht weken naar Australië. Terug in Nederland besloten ze te gaan emigreren.

Jennie en Ronald Schildknegt bereiden hun vertrek grondig voor. Dat ze bij hun plannen geen steun meer zullen krijgen van de Nederlandse overheid bevreemdt hen. “Buitenlanders die zich in Nederland vestigen krijgen alle mogelijke ondersteuning. Wij moeten het zelf maar uitzoeken. Dat geeft mij toch het beeld van opgeruimd staat netjes”, zegt Ronald Schildknegt.

Carla van der Giesen (22) en Reto Freihofer (26) hopen binnnenkort aan de HTS af te studeren, zij in elektrotechniek en hij in informatica. Samen willen ze naar Nieuw-Zeeland emigreren. Nu het emigratieverdrag is opgezegd, hebben ze hun plannen versneld. Als ze vóór 1 september hun aanvraag indienen kunnen ze nog van de oude regelingen profiteren. “We gaan en we zijn niet van plan om ooit nog naar Nederland terug te keren”, zegt Van der Giesen. Zelfs als ze geen werk kunnen vinden in het vak waarvoor ze zijn opgeleid. “Dan zoek ik wel iets anders”, stelt Freihofer. “Tuinieren of glazenwassen, het maakt me niet uit.” Ze zijn Nederland meer dan zat. “Het slibt hier dicht. Ik fiets iedere dag door Den Haag maar je komt er nauwelijks nog doorheen.”

De motieven om te emigreren lopen sterk uiteen. Sommigen voelen zich in Nederland te veel gebonden aan regels en proberen in de emigratielanden zelf een bedrijf op te zetten. Ook Nederlanders met specifieke beroepsgroepen - verplegers, fysiotherapeuten, ingenieurs - zoeken hun heil elders. In 1988 publiceerde het Landbouw Economisch Instituut (LEI) een onderzoek waaruit bleek dat 90.000 boeren en tuinders van 30 jaar en ouder emigratie serieus overwoog. Van alle emigranten bestaat inmiddels veertig procent uit agrariërs.

A. Overweg fungeert sinds zes jaar als NMI-migratieconculent voor de drie noordelijke provincies. Hij is nu aan zijn laatste werkdagen bezig want met een vooruitziende blik heeft hij al enige tijd geleden ander werk gezocht. Volgens Overweg neemt het aantal boeren met emigratieplannen nog steeds toe. De superheffing, hinderwet-, milieu- en mestwetgeving vormen de grootste drijfveren.

De behoefte aan informatie is volgens Overweg heel groot. Toch haken velen af in de oriënterende fase. Overweg omschrijft zijn houding als volgt: “Eerst probeer ik de poten onder hun stoel weg te zagen. Pas als de emigratieplannen echt serieus blijken te zijn, begin ik die poten er voorzichtig weer onder te zetten.” Overweg kan dat doen omdat hij een onafhankelijke positie inneemt. Dat ligt geheel anders bij de makelaars die zich hoe langer hoe meer op de agrarische markt werpen, nu de emigratiekoorts zo is toegenomen. Ook gepensioneerde agrariërs beginnen "emigratiebegeleidingskantoren'.

Sommige makelaars winnen zelf ook informatie in bij het NMI. Een van de gespecialeerde makelaars is emigratiebegeleidingskantoor Prins. Overweg: “De eerste keer liet hij ze wat dia's zien en later een bibberig videofilmpje waarin de boerderijen je om de oren vlogen. Maar tegenwoordig laat hij ieder jaar twee professionele films produceren over thema's als de positie van de vrouw in Australië, de gezondheidszorg in Canada of heimwee.” Overweg toont zich geen principieel tegenstander van de privatisering van emigratievoorlichting maar betreurt het dat de mogelijkheid om een onafhankelijk advies in te winnen, zal wegvallen. “Want ook de informatie van de ambassades is niet altijd objectief. Nieuw-Zeeland doet verwoede pogingen om jonge, goed opgeleide emigranten binnen te halen. Hebben ze eenmaal iemand beet, dan laten ze niet meer los.”

In de huiskamer van de boerderij in het Groningse Bedum zit de hele familie Visser aan de koffie. Vader en moeder Visser staan op het punt om samen met hun zoon, twee dochters, twee schoonzoons en drie kleinkinderen naar Canada te emigreren. “Kijk, een halve koe en één schaap op een hectare grond, dat is geen professionele veeteelt meer. Dus moeten we hier weg”, vat vader Visser (50) zijn besluit kort en bondig samen. En Visser maakt zijn plannen doorgaans waar. Elf jaar geleden trok hij al weg uit Hoofddorp “omdat de boel daar werd volgebouwd”. Nu beschikt hij over veertig hectare grond met vijftig melkkoeien en zestig schapen. Tot nu toe heeft hij wegens de melkquotaregeling al twintig procent moeten inleveren van de 425.000 liter melk die zijn koeien produceren. Nu gaat het nog, maar hij ziet de toekomst somber in.

Visser spreekt geen woord Engels. Toch is hij voorzichtig geweest in zijn contacten met Nederlandse emigratiemakelaars. “Kijk, die lui moeten ook leven”, zegt hij. “Dus leggen ze er 150.000 gulden bovenop. Je kunt veel beter de zaken ter plekke zelf regelen.” Hetgeen de jongste zoon Leo (25) deed. Met behulp van een bevriende Nederlandse boer in Canada tekende hij een voorlopig koopcontract voor én bedrijf en nam een optie op een bedrijf er vlak naast. Moeder Visser heeft nog zo haar twijfels: “Kijk, de verhuizing naar Groningen kon ik nog overzien. Maar dit is wel een heel rigoreuze stap.” Tot haar familieleden: “Kijk jullie mannen denken heel anders. Als jullie maar op het erf kunnen springen, is dat wel voldoende. Voor mij niet. Ik wil ook weten of daar een zangvereniging is.”