Artsen ongerust over toename te vroeg geborenen

UTRECHT, 15 JUNI. Bij de behandeling van zeer vroeg geboren kinderen is een kritische grens bereikt. Intensieve gezondheidszorg voor pasgeborenen heeft het de afgelopen jaren mogelijk gemaakt om baby's steeds jonger levend ter wereld te brengen, maar of ze ook beter zulen overleven is zeer de vraag.

Dat zeiden prof.dr. A. Okken, hoofd van de afdeling neonatologie in het Academisch Ziekenhuis Groningen en prof.dr. M. Keirse, hoogleraar obstetrie aan de Rijksuniversiteit Leiden, zaterdag op een symposium in Utrecht ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde.

Okken en Keirse wezen op het belang van wetenschappelijk onderzoek naar de levensomstandigheden van pasgeborenen op de wat langere termijn. Zulk onderzoek ontbreekt nu vrijwel geheel.

Om een beter inzicht in de problematiek van vroeggeboorten te krijgen zou landelijk moeten worden bijgehouden hoe lang vrouwen zwanger zijn, hoeveel pasgeboren baby's wegen en hoeveel pasgeborenen op een intensive-care afdeling van een ziekenhuis belanden.

Alle ontwikkelingen hebben de overlevingskans van te vroeg geboren kinderen flink doen stijgen, maar ook het aantal premature geboortes neemt gestaag toe, aldus Okken. In Nederland worden dit jaar naar schatting 10.000 tot 15.000 kinderen te vroeg geboren, voor het einde van de 37ste zwangerschapsweek.

Van deze "preterme' pasgeborenen worden er ongeveer 1.500 geboren bij een zwangerschapsduur van minder dan 32 weken. Volgens Okken wordt de "magische grens' van 28 weken zwangerschapsduur regelmatig gepasseerd, 27 en 26 weken zijn geen uitzondering meer en af en toe blijft een kind van 25 of 24 weken ook in leven.

De toename van het aantal te vroeg pasgeborenen wordt vooral veroorzaakt door de toename van het aantal meerlinggeboortes. Die ontwikkeling wordt in de hand gewerkt doordat de gemiddelde leeftijd van de vrouw bij de geboorte van het eerste kind nog steeds stijgt.

“Vrouwen volgen hogere opleidingen, nemen langer aan het arbeidsproces deel en stellen zwangerschap uit tot latere leeftijd omdat onder andere adequate kinderopvang in ons land onderontwikkeld is”, aldus Okken.

“Met het ouder worden duurt het langer om zwanger te worden en de vraag naar ingrepen en kunstmiddelen zoals in vitro fertilisatie, neemt toe. Dit resulteert in meer meerlinggeboortes van niet alleen twee maar ook geregeld van drie kinderen. Dat brengt ook negatieve effecten met zich mee zoals meer preterme geboortes met alle consequenties van dien.”

Daarbij gaat het onder meer om verstandelijke handicaps en stoornissen in het gezichtsvermogen, spraak en taal en motoriek. Okken noemde het in gang zetten van reanimatie en levensverlengende maatregelen bij steeds vroeger geboren kinderen “een vorm van ongecontroleerde interventie”.

Okken schat dat bij een pessimistisch scenario straks naar schatting meer dan de helft van de zeer preterme kinderen (32-37 weken) een of andere vorm van blijvende handicap zal hebben.'' De Groningse neonatoloog meent dat dit reden is om de vraag "moet alles wat kan?' met nee te beantwoorden.

Hij vindt dat artsen datgene moeten doen wat ze goed kunnen en beheersen en uiterst terughoudend moeten zijn met het introduceren van dingen die we niet goed kunnen of beheersen. In de praktijk betekent dat volgens hem prioriteit geven aan maatregelen en onderzoek die erop gericht zijn om de handicaps bij "overlevers' te doen verminderen “en liefst tot nul te reduceren”.