Waarin ik dank zij Enzensberger in mijn finale ...

Waarin ik dank zij Enzensberger in mijn finale Werdegang verzeil

"Alle Jezus, Mein Gott, Donnerwetter, Grote Goden, Daan,'' dacht ik, nadat hoofdredacteur Walter Decheiver door de afwijzing van mijn Ultieme Enzensberger-interview met één gebaar mij van journalistiek heldendom tot harakiri had gedegradeerd, ""hoe nu verder?''

Was dit dan mijn Waterloo? Was dit dan waar mijn collegae van rond de 50 zo bang voor waren? Was het hierom dat ze altijd hun mond dichthielden, als het er werkelijk op aan kwam? Perplex verliet ik de kamer van de hoofdredacteur, terwijl 1001 snedige ripostes als visgraten bleven steken in mijn strottehoofd. Nu waren de rapen gaar! Twintig jaar vaandeldrager van het Vrije Woord was ik geweest en dan nu de opdracht door deze hoofdredactionele knecht van het Grootkapitaal om een run-of-the-mill-interview te schrijven, langs de geplette paden van Bibeb, Ischa Meijer, Jan Jansen van Gobbel, Ursul de Geer, enzo! Toen de volle omvang van dit cataclysme met een doffe plons belandde in de modderpoel die mijn zieleleven heet, begreep ik dat het tijd was een standpunt in te nemen. Let's face it, Daan, dacht ik, het gaat hier om principiële kwesties, toch? Was het niet tijd mij schrap te zetten tegen de kolkende wateren van de journalistieke mediocriteit, mij te verweren tegen de lanterfantende lafheid van het intellectuele meewaaien, in opstand te komen tegen dat oeverloos peddelen in de Bermuda-driehoek van opstaan met de Volkskrant, terrasje met Vrij Nederland en naar bed met de VPRO - geestelijke incest, dat was het: en het was nu tijd om er iets aan te doen!

Maar eerst: koffie.

Met een verhitte kop (knop 31: melk en suiker) betrad ik het redactielokaal. Daar heerste dezelfde goddelijke rust als altijd, alsof de toekomst van de geschreven media niet op het spel stond! Het was 5 voor 12, journalistiek gesproken dan, maar de redacteuren van Boek in Beeld zaten met de voeten op het bureau de Toto van het Europees Kampioenschap in te vullen! ""Je bent laat, Daan. Maar à propos: wat wordt het?'' fleemde redacteur geestelijk leven Wilhelm Keizer. ""ENZENSBERGER!!!'' ontplofte ik. ""Je bedoelt die gevaarlijke spits van Duitsland?'' informeerde Lydia Suurbier, terwijl ze een laf drietje invulde achter Denemarken-Zweden, in de hoop een kans te maken op de hoofdprijs: een avondje aanschuiven aan de columnistenkaasfonduetafel in hoofdstedelijk eetcafé Bazel.

Met machteloos stampende stappen beende ik mij een weg naar mijn berstensvolle bureau. Daar knipoogde het beeldscherm mij bemoedigend toe. Het Enzensberger-interview wachtte onaangedaan op mij, roerloos en vol vertrouwen. Ik begon te lezen, en al na de tweede zin knikte ik instemmend: ""Mooi geschreven Daan,'' mompelde ik half-luid. Hier werden meer puntjes gezet dan alleen op de i, in dit stuk dreunde ieder woord als een mokerhamer op het aambeeld van de ongezouten waarheid, en het was nog soepel geschreven ook. Tevreden leunde ik achterover. ""Hier gaan wij geen woord in veranderen, Daan,'' sprak ik mijzelf toe, met een vastberadenheid die alleen gegeven is aan hen die voldoende jongensboeken hebben gelezen. ""Pom-pom-pom, Daan,'' antwoordde ik sussend, ""pas wel op met die Prinzipienreiterei, je gooit toch niet uit ijdelheid 20 jaar journalistieke pensioenopbouw weg? Je speelt met vuur, Daan!'' ""Maar,'' riposteerde ik opstandig, ""moet ik dan altijd maar over mij heen laten lopen?'' Voordat ik iets had kunnen tegenwerpen, voelde ik een ijskoude zucht in mijn nekharen. Het was de documentalist Jan Wouters, wiens knipselarchief het fundament onder dit journalistieke bedrijf was. Zijn zwarte cape had hij over de schouders geslagen en vanonder zijn borstelige wenkbrauwen staarde hij mij met een diabolische vriendelijkheid aan. Uitnodigend stak hij een knipselmap in mijn richting. ""Dit zal helpen, Daan,'' fluisterde hij. ""Hier staat alles panklaar in over Enzensberger. Iedereen doet het, Daan, iedereen gebruikt dezelfde journalistieke klei. Het is heus niet nodig je daarvoor te schamen. Je hoeft alleen maar te tekenen voor ontvangst.'' Onwillekeurig voelde ik het kippevel over mijn ruggegraat trekken. In een flits realiseerde ik mij dat ik hier op een tweesprong in mijn leven stond, een journalistieke crossroad, een monumentaal moment qua existentie, een catastrofale crisis dus, maar wat wist ik dit alles toch weer eloquent te diagnostiseren.

Langzaam stond ik op. Zonder een woord te verkwisten liet ik Jan Wouters met zijn infernale propositie in de kou staan. ""Genoeg Daan,'' dacht ik, ""niet langer zal ik mijn journalistieke ziel verkopen voor een schouderklopje in de weekbladenrubriek van de Volkskrant, noch voor een eervolle vermelding in EO's Tijd-seins tijdschriftensignalement, noch voor het lonkend perspectief van een op maat gesneden bundeltje, waarmee een uitgever mij als een literaire komeet belooft te lanceren, noch voor een handvol uitnodigingen van flinterdunne forumdiscussies met andere praalhansige praters!''

Sinds ik in 1970 vanaf mijn witte fiets half luid ""Nixon Molenaar!'' tegen de achterkant van het Paleis op de Dam had geroepen, om half vier 's nachts, en uit dien hoofde nog menigmaal in gebundelde terugblikken over die roerige jaren zestig mijn heroïsch verhaal mocht vertellen, had ik mij niet meer zo rebels gevoeld. Schoorvoetend betrad ik de kamer van de hoofdredacteur. ""Zeg Walter, heb je even?'' Verstoord keek Decheiver op van zijn Toto-formulier. ""Ik heb er eens over nagedacht,'' haperde ik, ""maar ehh...''

""Hmm?'' informeerde Decheiver belangstellend.

""Euhh...ik doe het niet. Ik verdom het. Ik ben het zat!''

""Wat!?,'' riep Decheiver. ""Doe jij niet mee aan de Toto? Hou jij dan niet van kaasfondue?''

""Enzensberger!'' schreeuwde ik vertwijfeld, ""ik verander geen woord aan het interview.''

""?????????''

""Geen woord!'' herhaalde ik, terwijl ik met mijn vinger in de lucht priemde. Hij keek mij aan met een blik die het midden hield tussen flagrante verbijstering, onverholen haat, evidente bloeddorst, verregaande verontwaardiging en gespeeld begrip, terwijl hij te zelfdertijd als een razende de arbeidsrechterlijke consequenties calculeerde. ""Geen woord?'' lispelde hij om tijd te rekken. Even keken wij elkaar zwijgend aan. Toen barstte hij uit met de vernietigende kracht van iemand die zijn hele journalistieke leven al met een woekerend minderwaardigheidscomplex worstelt: ""Ik heb het altijd al geweten, dat jij niet loyaal bent, Daan! Ik heb altijd al gedacht dat jij het zou zijn die als eerste de dolk in mijn rug zou steken!''

""Nou, nou... euhh... Walter, zo heb ik het ook weer niet bedoeld,'' probeerde ik de situatie te redderen, terwijl mij een gevoel bekroop alsof ik op een schoolfeest aan het nichtje van de rector een oneerbaar voorstel had gedaan, ""misschien moeten we er onder een genoeglijk etentje nog eens over praten?''

Maar Decheiver raasde buiten zinnen voort. ""En dan zeker weer bij mij declareren, hè! Van die onkostenbonnetjes van jou klopt nooit ene sodemieter, Daan. Die reiskosten naar Berlijn kun je ook wel op je buik schrijven! Ik ga geen treinreis meer aan jou vergoeden!''

""Euhh.. betekent dat dat ik een auto van de zaak krijg, Walter?'' meende ik een kwinkslag te moeten plaatsen.

""Neen, sukkel,'' donderde de hoofdredacteur met rood aangelopen hoofd, ""Je bent ontslagen! Eruit, weg, ik wil je niet meer zien! En neem je Alzenheimer-interview in godsnaam mee!''

Zwijgend verliet ik zijn kantoor. Dit had ik eerder meegemaakt. Daantje, Daantje, dacht ik, je hebt deksels domme dingen gedaan! En erger: hoe moest het nu met mijn kostelijke Enzensberger-interview?

Terug aan mijn bureau krioelden de gedachten als palingen door mijn hoofd. Plots wist ik wie er immer snakte naar goede kopij! Plots wist ik aan wie ik die Grote Duitse Denker kon slijten! Met trillende vingers pakte ik een envelop, stopte het interview erin, alsmede een stroperig briefje en een biljet van vijfentwintig gulden. Zo, dat zou zeker te bestemder plekke op eerlijke aandacht mogen rekenen.

En nu, Daan, dacht ik, nu is het na 21 enerverende episodes tijd voor een verre vakantie. Heel misschien zouden na een rustgevend intermezzo en met behulp van een fijne fles sangria de hoofdredactionele gemoederen wel weer tot bedaren komen. Tevreden keek ik naar de sierlijke letters waarmee ik het adres op de envelop had geschreven: NRC HANDELSBLAD , Zaterdags Boekenbijvoegsel, Paleisstraat 1, 1012 RB Amsterdam.

(wordt vervolgd)