Vastzitten

Het zal wel weer aan mijn karakter liggen, maar ik zit voortdurend vast met auto's, en ik bedoel daarmee niet in de file. Mijn hele leven al blijven auto's vastzitten, mijn levensloop is er als het ware omheen gebreid; het kwam er zelfs van dat de sterren er zich mee bemoeiden en me les gaven in het vastzitten. Daarover verderop.

De lezer heeft dus een tweeledig voordeel: hij kan zich verkneukelen in andermans ongeluk (dat scheelt weer de aankoop van een pulpblad) en hij leert meteen los te geraken, mocht hem hetzelfde overkomen.

De allereerste keer dat ik "vast' zat, was met de Wolseley van mijn eerste stiefvader, u weet wel, met zo'n verlicht ovaaltje bovenop de grill waarin het woord Wolseley. Mijn eerste stiefvader sprak dat goed uit en ik dus ook, zij het iets te vaak naar zijn smaak, zoals bijvoorbeeld na het eten op zaterdagavond.

Mijn idee van geluk was het bezoeken van het Gevers Deynootplein te Scheveningen. Des avonds. Caveau Tzigane om precies te zijn. Had ik het vorige week over Robbie Doorenbos, dan zou ik nu de naam van zijn broer Eddie moeten noemen die nog steeds met een verwonderlijke soepelheid de evergreens zingt in de stijl van Bobby Troup. Ik kan u de laatste CD aanraden, after all these years. Zo heet hij niet, dat zeg ik alleen maar (tsjonge, als we zo doorgaan kom ik niet eens aan mijn éérste vastzitting toe).

Wel, ik woonde in Rotterdam en men moest dus, mede om de vriendinnen te vervoeren, per auto. De Wolseley. Vaak gingen we met de Nash van de vader van Kuiper, maar vanwege grote aantallen gingen we die avond met twee auto's. Op de een of andere manier reden we terug niet langs de hoofdwegen maar door de polder en bij het uitwijken voor iets geraakte ik in het aflopende talud. Bij het achteruitrijden slipten de achterwielen. Kuiper had een sleepkabel in de Nash, die werd bevestigd en Kuiper ving aan te trekken. Het lukte slechts langzaam, zo langzaam dat Kuiper, die de voet kennelijk een beetje op de koppeling hield tegen afslaan, de koppeling deed verbranden. Ik weet niet of u die lucht kent, maar ik herkende hem toen al. Kuiper niet. Toen we op de weg stonden, kwam hij slechts langzaam op snelheid en vroeg bij zijn huis wat er toch was. Ik loog dat ik het niet wist. Het leek me beter dat Kuiper geheel onbevangen tegenover zijn vader zou staan, omdat Kuiper juist een slechte leugenaar was. De vader van Kuiper was verschrikkelijk rijk, dus alles kwam goed.

Vervolgens grepen de sterren in, in de dubbele zin van het woord. Ik was, als jong kornet, tewerkgesteld met zes anderen, in Harderwijk. De WGF-kazerne. Daar leefde een kapitein (drie sterren, twee namen) die slechts twee dingen voor ogen had: discipline en astrologie. Wij werden dan ook allen subiet naar buiten gestuurd nadat we ons gemeld hadden, wegens het over de verkeerde schouder lopen van de Sam Brown (ik ga dit niet uitleggen, neem maar rustig aan). Toen we weer binnenkwamen, nu geheel in orde, monsterde kapitein Dudok ons en vroeg wie Van Lennep was. Dat was ik. Mooi, zei hij, plaatsvervangend hoofd rijschool, afdeling lostrekken. Dit vanwege mijn geboortedatum.

En zo gewerd het dat ik geregeld met een flinke groep chauffeurs en zes drietonners + lier naar vak Spoorbaan toog, waar grote kraters in het landschap zaten, wel drie meter diep en twintig meter diameter. Hierin liet ik dan een drietonner zakken en die moest er dan weer uit natuurlijk. Lukte het niet met de lieren, dan lukte het altijd met mankracht. Dertig chauffeurs, mits op de goede wijze aangevuurd (""Allen tesaam: hiew'') kunnen zo'n vrachtwagen optillen. Veel geleerd dus.

Na de dienst kwam ik te werken in Liverpool, waar ik wederom een Wolseley mocht besturen. Met een klant uit een ver land bezichtigde ik Noord-Wales, per auto, en daar raakten we bovenop de Clwydia Range, midden op een berg, geen pad, vast, en dat omdat een steen juist de toegangsmoer tot het carter raakte en het carter leegliep. Dat betekent stoppen en de auto achterlaten. De auto werd eerder gevonden dan wij, zodat de lokale kranten er vol van stonden. Sindsdien ken ik het nut van een carterbeschermplaat.

Vervolgens reed ik, nu met een huurauto, op de Schapendrift, een weg van Elspeet naar Hulshorst en die auto, een grote Chevrolet met het kenteken 10.000 voorafgegaan door de Gelderse letter (die me ontschoten is) stopte ineens. Zonder aanwijsbare reden. Alles uit. Motor, licht, alles. Enig onderzoek bracht aan het licht dat de accu ontbrak. Die was dwars door het draagplankje gevallen en lag vijftig meter achter de auto in het zand. Bij terugzetten deed alles het weer.

U zult langzamerhand een inzicht krijgen in mijn rijgewoontes. Ik snij graag af en vaak via onverharde wegen.

Tijdens de SLS-rally raakte ik echter door te hard rijden naast een bruggetje in de sloot. Er stonden gelukkig veel toeschouwers en mijn grote angst was toen dat ze te vroeg gingen duwen. Lukt dat niet dan duwen of trekken ze nooit weer. Het gaat er dus om eerst goed na te denken waarheen en hoe, en dan pas, op de juiste manier en allemaal tegelijk te duwen en te trekken.

Rijders die me passeerden zagen me nog half onder de brug staan en waren buitengewoon verbaasd dat ik na vijf minuten (dank zij de sterren van kapitein Dudok) weer op de weg stond.

Ik zal u de tussenliggende vastlopers besparen - zelfs die keer dat ik in de Tulpenrally in een landslight terechtkwam, als voorste auto, tot de portieren in de rode modder stond en met mijn handen en de bijrijder pas na drie uur de tocht kon voortzetten - maar slechts de perikelen van het jaar 1991 uit de doeken doen.

Beide keren raakte ik vast in de Verenigde Staten. De eerste maal was het voorjaar en ik was zojuist teruggekeerd van de gesloten toegang tot de hoogste bergweg van Amerika bij Mount Evans, in Colorado. We wilden nu de Weston Pass oversteken, richting Mount Massive Wilderness, 11.900 voet hoog, en we merkten dat de weg wit werd. Van de sneeuw.

Omdat ik een nieuwe vierwiel aangedreven fabrieks-Explorer bereed, leek me dat, na vier Monte Carlo-rally's een makkie. Even later zaten we tot de assen vast. Zelfs een vierwiel aangedreven auto drijft slechts twee wielen aan, nl. die aan de voor- en achteras die de minste weerstand ondervinden (tenzij je een limited slip differentieel hebt) en het werd dus graven. Met koude handen, geen schop. Daarna takken en stenen zoeken. We waren pas de vorige dag in de VS gearriveerd en de kou (min 8 plus chill factor) en de hoogte beving ons. Daarna kwam het benzineprobleem. Hoeveel zat er precies nog in de tank en wat verbruikt een auto van die grootte op die hoogte stationair met de kachel op vol. En moet je dan om het uur 12 minuten draaien zodat de motor en de cabine een uur afkoelt of moet je om het kwartier drie minuten draaien?

Om zeven uur stonden we weer naast de auto en nu werd het paardemiddel ingezet: krikken. Je krikt de laagste kant op en vult de ruimte onder de wielen met sneeuw of stenen. Daarna krik je de andere kant op en je doet daar hetzelfde. Zo komt het chassis los van de sneeuw. Ten slotte achteruit weg.

Nog geen half jaar later zat ik in een tweewiel aangedreven auto vast in de Mohave Desert en wel in een droge rivierbedding, in de kiezels. Werd het krikken in de Weston Pass bemoeilijkt door bevroren knieën in de sneeuw, nu maakte de hitte het onmogelijk met de knieën op de hete kiezels te steunen.

En weer gaf het krikken uitkomst. Tijdsduur één uur en een halve kilo lichter.

Wat is er toch met me aan de hand?