Universitair luchtbederf

Bijna altijd weet ik me tegen de zuigkracht van de nostalgie te verzetten, maar er zijn twee onderwerpen waarop ik me in dit opzicht vrijelijk laat gaan, en dat zijn de natuur en de universiteit.

Dat alles steeds maar lelijker wordt heb ik lang proberen te ontkennen, maar ik heb het opgegeven: het valt niet langer te loochenen. Opgevoed in het droeve besef dat met de industrialisatie het ambacht verloren ging en met de auto de natuur, bleef er voor mij weinig anders over dan het zoeken naar tekenen van vooruitgang. Die vielen wel te vinden, maar waren nauwelijks opgewassen tegen de groeiende stroom van gesignaleerd verval.

Nu het vorige nummer van HP/de Tijd geheel gewijd is aan alles wat verdwenen is aan plant en dier, beperk ik me hier maar tot het luchtbederf: tot het steeds viezer en ongezonder worden van de lucht. Wonend in de stad wen je er wel aan, zoals je aan bijna alles wel went als je niet beter weet. Maar eenmaal buiten merk je opeens hoe lekker het daar kan ruiken en besef je opeens wat je mist. Dit gaat verder dan het verschil tussen bijvoorbeeld roomboter en margarine. Volgens mij worden veel mensen niet alleen vaal maar ook ziek van het luchtbederf. Dit schooljaar bijvoorbeeld was iedereen die ik ken ongeveer de helft van de tijd ziek: lam, hoofdpijn, snotterig en kwakkelig, kortom algehele miezerigheid en malaise. Volgens mij - ik kan het niet bewijzen, dat moeten anderen maar doen - zijn de afweersystemen van veel mensen door die slechte lucht verstoord geraakt: deze kunnen de boel gewoon niet meer goed verwerken. Als beeld misschien wat simpel, maar zo stel ik het me ongeveer voor. Net als wanneer mensen op andere manieren overbelast raken, en hun ordenings- en afvoersystemen niet meer goed functioneren. Ze slibben dan dicht, en zijn niet meer bij machte zich op tijd te verversen. De vastlopende motor blijft ook hier de metafoor.

Zo vergaat het tenminste menigeen op de universiteit, die andere aanleiding tot nostalgie. Ik denk dat de universiteit nog een van de aangenaamste plekken is om te werken. De concurrentie is niet moordend, de mogelijkheid tot flexibele werktijden is groter dan op de meeste kantoren en bedrijven, en als je het treft kun je het ook nog ergens over hebben. Maar de vergelijking richt zich niet alleen op elders maar ook op vroeger, en als het ergens vroeger beter was dan was het daar. Wat een tijd hadden de mensen toen voor lezen, denken en schrijven. Niemand was nog op het idee gekomen dat er voortdurend vergaderd moest worden, en ook de overwoekering door papier was nog niet ingezet.

Het wordt er, op een sluipende manier, steeds een beetje erger. De werklast wordt voortdurend opgevoerd, de taak- en tijdberekeningen vallen steeds ongunstiger uit, bureaucratie en papier nemen toe. Er moet steeds meer overlegd worden, en elke dag bekruipt je het gevoel dat als je het niet zo druk had er meer uit je vingers zou komen. Er wordt steeds meer geteld: in mensuren, studiepunten, taakbelasting. Alles wordt tot achter de komma uitgerekend, ten behoeve van overzicht, controle, bijsturing en taakverzwaring. De lucht wordt ook hier behoorlijk benauwend.

Produktie, daar gaat het om, en als ware het fabrieksarbeid, wordt goed bijgehouden of je op schema en volume ligt. De eerder genoemde metafoor van de vastlopende motor mag dan wat primitief zijn, maar het aan fabrieksmatige arbeid ontleende model van taakbecijfering en produktieschema past niet, en is voor een universiteit soms stompzinnig dysfunctioneel. Want zo schrijf je geen boek, vastgeklemd in minieme tijdsblokjes, terwijl je de nauwkeurig berekende andere verplichtingen al weer voelt aan komen denderen.

Hoe zich te handhaven, met behoud van creativiteit en zin in het werk: dat is de opgave. Maar hoe doe je dat? Het enige waardoor je het hoofd boven water kunt houden is volgens mij eigen werk, en - goddank - dat telt. Tenslotte gaat het daar ook eigenlijk om, al moet de ruimte daarvoor steeds meer bevochten worden op de voortwoekerende andere universitaire taken en plichten. Maar ook hier zijn richtsnoeren in werking gesteld die het laatste vrije gebied willen reglementeren. Niet zozeer om de kwaliteit te bewaken of het onkruid uit de aangeharkte academische tuin te bannen, maar om het geschreven woord op te stoten in de vaart der internationalisering.

Wie niet publiceert in de buitenlandse tijdschriften telt internationaal niet mee, en wie internationaal niet meetelt kan niet meer goed meekomen en maar beter inpakken. Het wordt gebracht als een onontkoombaar regime, waarin vaststaat wat op welke manier geteld wordt en waarnaar je je slechts te schikken hebt, als betrof het een hogere macht. Artikelen in dag- en weekbladen zijn afgevoerd naar de afvalbak van de journalistieke produkten, en worden door sommigen als iets ten nadele gezien, als een soort negatief saldo. Dat ik dit behoorlijk benepen vind moge duidelijk zijn, maar de koers van de internationalisering vind ik erger.

Het heeft iets van een bekrompen megalomanie, iets zieligs en tegelijk hovaardigs, alsof je openlijk toegeeft zelf niets te zijn en het ook beneden je waardigheid vindt om in het Nederlands te schrijven. Je hoeft geen chauvinist te zijn om je in je eigen taal te willen uitdrukken en je tot je landgenoten te willen richten. Al dat studeren en werken aan de universiteit gebeurt bovendien toch maar mooi van "onze' belastingcenten, dus de opbrengst zou in de eerste plaats voor de eigen bevolking toegankelijk moeten zijn. Het beleid om dit te ontmoedigen en zich te richten op een publiek buiten de eigen grenzen, leidt tot een kapitaalvlucht die bij andere zaken publieke verontwaardiging zou wekken. Na de kapitaalvernietiging op veel universiteiten als gevolg van reorganisaties - op sommige universiteiten loopt bijvoorbeeld nauwelijks meer iemand van boven de vijftig rond - wordt nu het resterende schriftelijke vermogen op het buitenland gezet. Alsof wij zelf niets voorstellen. Ik geloof dat ik dat nog het treurigste vind. Met collectieve zelfverloochening is niemand ooit verder gekomen.