Signalen van de toekomst

DE GRENZEN VAN tijd en ruimte worden in Den Haag niet graag overschreden.

Ambtenaren en politici houden zich liever binnen de veilige grenzen van wat overzichtelijk blijft vanuit de ministeries of het parlement. Het politiek-bureaucratisch complex voedt zich bij voorkeur met binnenlandse zaken op de korte termijn. Het buitenland is goed voor studiereizen, de toekomst fungeert als stijlmiddel om perspectief aan de dagelijkse beslommeringen te geven. Vergelijkingen met ontwikkelingen in andere landen, economische verschuivingen en verkenningen in de tijd die verder gaan dan voortzetting van huidige trends, zijn uitzonderlijk.

Het Centraal Planbureau (CPB) heeft kort na elkaar twee studies gepubliceerd die van dit gangbare pad afwijken. Het CPB, dat vooral bekendheid geniet wegens de "koopkrachtplaatjes' en de doorberekening van partijpolitieke programma's op hun sociaal-economische "haalbaarheid', heeft zich niets aangetrokken van Haagse gewoontes en een ambitieuze, wereldwijde, tot in de volgende eeuw reikende intellectuele oefening in toekomstverkenning uitgevoerd. De eerste studie, Scanning the future, houdt zich niet bezig met de waan van de dag en bevat evenmin een statische toekomstvoorspelling. Op grond van gedachte-experimenten over mogelijke verschuivingen in de internationale economische verhoudingen aan de hand van verschillende economische perspectieven, schetst het CPB de gevolgen die dit kan hebben voor de belangrijkste regio's in de wereld. Hierop aansluitend zijn in de tweede studie, Nederland in drievoud, scenario's voor Nederland uitgewerkt. Ook hierin gaat het niet om een nieuwe aflevering van de Macro-economische verkenning die het CPB jaarlijks uitgeeft, maar om een poging de politieke discussie over de economische toekomst van Nederland boven het maaiveld uit te tillen. Want de manier waarop tussen Lobith en Hoek van Holland het geld wordt verdiend en verdeeld, is niet alleen afhankelijk van binnenlands beleid, maar evenzeer van ontwikkelingen in de wereldhandel en de dynamiek van andere regio's. Dat vereist nadenken.

De drie scenario's die behandeld worden, vormen een kijkdoos waarin de sterke en zwakke kanten van Nederland te zien zijn als ze tegen het licht van mogelijke verschuivingen in de wereldeconomie worden gehouden. De uitkomsten zijn minder interessant dan de intellectuele uitdaging om de verschillende vergezichten uit te werken in politieke keuzes voor het beleid. Want, zoals het CPB schrijft, het ontlopen van keuzes biedt de zekerheid van achterblijvende prestaties op het gebied van welvaart en werkgelegenheid.

HET CPB is onder leiding van prof.drs. G. Zalm in snel tempo bezig met een gedaanteverwisseling. Zalm heeft het instituut, dat in 1945 werd opgericht door prof. J. Tinbergen met het doel een planeconomie in Nederland te introduceren en dat onder opeenvolgende directeuren een oerdegelijke reputatie heeft opgebouwd, een impuls in creatief denken gegeven. Gevestigde opvattingen over de sociaal-economische inrichting van Nederland worden door Zalm met gretigheid aangevallen en die provocerende opstelling klinkt ook door in de twee toekomststudies. Nederland in drievoud trekt de gangbare politiek correcte opvattingen over de verzorgingsstaat in twijfel en hekelt ook de positie die de Nederlandse politiek aan het CPB heeft opgedrongen: “De in internationaal perspectief uitzonderlijke rol van het CPB is alleen te begrijpen vanuit de welhaast onverzadigbare behoefte aan feitenkennis en wetenschappelijke analyse, waarmee het politieke overleg moet worden gevoed”.

Het Haagse beleid wordt in zijn behoefte aan studies door een groot aantal instellingen bediend. Ministeries hebben hun eigen afdelingen beleidsvoorbereiding, de SER levert studies op die worden gedragen door het brede maatschappelijke middenveld, het Sociaal en Cultureel Planbureau, de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en tal van gesubsidieerde onderzoeksbureaus verschaffen materiaal om standpunten te verzoenen, deelbelangen te behartigen of om nieuwe paden uit te zetten. De kwaliteit van dat werk is lang niet altijd van het gewenste niveau en vaak is sprake van overlappingen.

Het CPB heeft aan zijn traditionele rol als rekencentrum met een macro-economisch computermodel een nieuw terrein toegevoegd als "denktank' waarbij mathematische formules hebben plaatsgemaakt voor economische theorieën en niet-economische ontwikkelingen. Dit vergroot het maatschappelijke en wetenschappelijke belang van het CPB en maakt de vraag actueel of het geen tijd wordt om de werkzaamheden van de talrijke beleidsondersteunende onderzoeksinstellingen eens kritisch te herzien. En het versterkt de roep om een nieuwe naam voor het CPB. Want een Centraal Planbureau, dat is toch niet meer van deze tijd.