"Rio' gaat aan burger en bedrijf voorbij

Bedrijven moeten niet langer in kwartaal- en jaarcijfers denken als het gaat om ingrijpende milieu-investeringen, maar in termijnen van zeker tien jaar. En de consument moet erop voorbereid zijn een deel van zijn welvaart prijs te geven, om een duurzame ontwikkeling mogelijk te maken. Verslag van een indringende discussie naar aanleiding van de UNCED-conferentie in Rio de Janeiro.

"Rio', de VN-conferentie over milieu en ontwikkeling in Brazilië, wordt dit weekeinde afgesloten zonder een verpletterende indruk achter te laten. Een deugdelijke aanpak van het internationale milieubeleid vergt diep ingrijpende maatregelen in plaats van mooie verklaringen, maar mag je die wel verwachten met 160 landen aan tafel?

In een ronde-tafeldiscussie met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en de wetenschap, georganiseerd door NRC Handelsblad, wordt "Rio' nog net een nuttige schijnwerper op het milieuprobleem genoemd, maar verder omschreven als “veel wapengekletter” en “een politiek circus”.

De thema's van de UNCED-conferentie (United Nations Conference on Environment and Development) komen uiteindelijk grotendeels bij het bedrijfsleven terecht, want de vervuiler betaalt, zegt chef-Economie Jurriaan Kamp die de discussie inleidt. Wat zullen de gevolgen zijn?

Deelnemers aan het gesprek zijn ir. P. Koppenol, directeur van het ingenieursbureau Comprimo, J.H. Musters, directeur van Paques BV (milieutechnologie), mr. P.A. Nouwen, directeur ANWB, dr. Lucas Reynders, hoogleraar milieukunde aan de Universiteit van Amsterdam, dr.ir. P. Vellinga, directeur van het Instituut voor Milieuvraagstukken in Amsterdam en ir. E.A. de Wit, specialist van Akzo voor energievraagstukken.

Het algemeen oordeel van de gesprekspartners over de uitkomsten van de UNCED-conferentie is tamelijk cynisch. Reynders had al in een vroeg stadium, toen hij begreep dat de belangrijkste beslissingen over Rio eigenlijk in het Witte Huis in Washington worden genomen, besloten niet als waarnemer naar Brazilië te gaan. “Vergeleken met de vorige wereldmilieuconferentie, in 1972 in Stockholm, had dit een belangrijke stap vooruit moeten worden, maar het is grotendeels mislukt”, constateert hij. Belangrijke thema's als bevolkingspolitiek, "the American way of life' en corruptie bleken onvoldoende bespreekbaar. “Het is net zo vrijblijvend als "Stockholm'.”

De kreet "mislukt' gaat Vellinga te ver, maar hij erkent dat de inzet van de conferentie, vooral op het gebied van het klimaat en de bescherming van bossen, aanzienlijk hoger was dat wat er is uitgekomen. Dat het resultaat zo tegenvalt, komt vooral door “de confrontatie met de weerbarstige werkelijkheid van het VN-systeem. Het merendeel van de deelnemende landen heeft heel andere prioriteiten, zoals armoedebestrijding en meer hulpgelden”. “Het welslagen van de Uruguay-ronde (GATT) is voor hen veel belangrijker.” Niet de milieuproblemen zelf, maar de liberalisering van het internationale handelsverkeer zou wel eens veel effectiever kunnen zijn om een goede economische ontwikkeling in de Derde Wereld en daarmee een beter milieubeleid daar van de grond te krijgen, meent Vellinga.

De Wit vindt het nog te vroeg om uit het "Rio-circus' conclusies te trekken. Dat de aandacht voor het leefmilieu door de conferentie groter is geworden, acht hij positief. Nouwen onderschrijft dat. “Iedere staat moest bij zichzelf te rade gaan met welke voorstellen hij naar Rio zou gaan. Overigens is dit spel nauwelijks meer te volgen voor de gewone burger.”

Musters: “Positief is dat iedereen door Rio is wakkergeschud, maar mondiale regels moeten voorbijgaan aan lokale verschillen en laten onvermijdelijk frustraties achter. Maatwerk is op deze manier niet mogelijk.” Koppenol ergert zich er vooral aan dat “de twee hoofdzaken onvoldoende aan de orde zijn gekomen: het bevolkingsvraagstuk en het energieverbruik per hoofd van de bevolking en in totaal.”

Pag 18: Heffing moet gedrag veranderen, niet de kas vullen

Het Nederlandse CO2-beleid heeft vooral in het teken gestaan van de energieheffingen. Hoe denkt men daarover?

Nouwen: “Het prijsmechanisme moet niet de hoeksteen, maar een onderdeel van het beleid zijn. Tot nu is er te veel een beleid geweest dat de burger niet vertrouwt, omdat de heffingen gebruikt worden om de overheidskas te spekken. Niet de opbrengst moet voor de overheid het doel zijn, maar de gedragsverandering. Minister Maij-Weggen heeft nu voor het eerst, bij haar plan voor een spitsvignet, het woord regulerend gebruikt. Het principiële punt is: heeft de weggebruiker die je tot een ander gedrag wilt brengen, wel een redelijk alternatief? Zoniet, dan is het een gewone heffing. Dus het ontwikkelen van een alternatief moet de hoeksteen zijn.”

Volgens De Wit hebben de grote energieverbruikers wel zo'n alternatief, namelijk het zelf opwekken van elektriciteit, gecombineerd met gebruik van de restwarmte: warmte-krachtkoppeling. De Wit ziet positieve kanten aan een regulerende heffing, mits deze internationaal werkt. “Als je bij zo'n heffing voorkomt dat het bedrijf zijn markt verliest, leidt dat zeker tot meer energiebesparing.”

Koppenol wil niets van zo'n heffing horen als deze alleen door de Europese Gemeenschap zou worden toegepast. “Dat is uit den boze, de Europese exportpositie wordt er onmiddellijk door aangetast. Gaan we hier door met heffingen, dan wijken Amerikaanse producenten die nu in Europa zijn gevestigd, uit naar de groeimarkten in het Verre Oosten. De overheid moet duidelijke normen geven, met geboden en verboden komen. Dan zijn er helemaal geen heffingen nodig. De prijs van de produkten gaat natuurlijk wel omhoog.”

Volgens Musters zou de consument best bereid zijn de extra kosten te betalen als het een echte regulerende heffing betreft, “maar niet als het een belastinginstrument is”.

Koppenol: “De eerste stap in de Europese heffing zou overeenkomen met een prijsverhoging van 3 dollar per vat olie. Dan gaat de benzine zo'n 5 cent per liter omhoog, ook omdat er al zoveel belasting op zit. Nou, daar laat geen automobilist zijn auto voor staan, het werkt gewoon niet. Trouwens, de OPEC heeft door zijn laatste besluit om de olieproduktie niet te verhogen, dit plan al ingehaald. De prijs is immers de laatste weken al met ongeveer 3 dollar gestegen.”

Reynders is een fel voorstander van het gebruik van het prijsmechanisme om een zuiniger gebruik van energie af te dwingen. “Ik geef toe, bij de auto werkt het niet of nauwelijks, maar bij de tuinbouw, de industrie en zelfs bij het luchttransport wel degelijk.” “Het zwaartepunt bij onze belastingheffing ligt nu bij arbeid, maar niet op schaarse goederen, zoals natuurlijke hulpbronnen en een stabiel klimaat. Als je alle milieu- en schaarstekosten in rekening brengt, moet de prijs van energie 3 tot 6 maal hoger worden.”

Musters onderschrijft dat: “De huidige kostprijs is geen reflectie van wat produkten werkelijk kosten. Kijk naar de waterzuiveringsheffing, die werkt heel positief.” Vellinga voegt daaraan toe: “Een heffing op schaarste is het wegnemen van schaarste. Een financieel mechanisme moet wel degelijk hoeksteen van het milieubeleid zijn.”

Reynders neemt Japan als voorbeeld van een land dat met hoge energieprijzen toch een sterk concurrerende industrie heeft. Koppenol deelt die bewondering: Japan heeft èn een economisch èn een milieuprobleem opgelost. Maar De Wit relativeert deze stelling: “De vergelijking met Japan klopt niet. Europa heeft een procesindustrie, die veel energie verbruikt, maar in Japan is die tak van industrie van ondergeschikt belang.” Koppenol ontkent dit laatste.

Als een Europese energieheffing te veel nadelige gevolgen zou hebben voor de concurrentiepositie van het bedrijfsleven, moet de EG volgens Reynders glashard antwoorden met importheffingen en exportsubsidies aan de Europese grenzen. Geërgerd: “In plaats daarvan zegt men nu: we voeren alleen een heffing in als ook de VS en Japan dat doen.”

Maar in GATT-verband worden toch juist hard een opheffing van de EG-exportsubsidies en importheffingen voor de landbouw geëist?

Reynders en Vellinga: Voor de landbouw is dat nu terecht, maar voor de energie en milieu valt er niet aan te ontkomen. Als Europa op dit gebied handelsmaatregelen nam, zou de hele wereld in vijf jaar tijd om zijn, dan zou de energie-intensieve industrie zich aanpassen aan de nieuwe marktverhoudingen.

Nouwen vindt een systeem van "heffingen op schaarste' een “gevaarlijk” principe. “Ik houd me bezig met de mobiliteit. Dat is de basis van onze vrijheid en misschien wel van de ontwikkeling van de mens. Je kunt niet de hele mobiliteit overlaten aan het prijsmechanisme, want dan kunnen alleen de sterkste schouders de extra lasten dragen.” Als alternatief pleit hij voor een veel strengere regelgeving: “Ik hoop dat de Californische eisen op het gebied van emissies hier ook van toepassing worden. Het zou een zegen zijn als de EG dat met veel meer moed ter hand neemt. Dat gebeurt nu niet, omdat Frankrijk en Italië hun nationale auto-industrie willen beschermen. Als je dat doorbreekt, krijg je vanzelf ook de elektrische auto. In Duitsland kunnen ze bijvoorbeeld al veel zuiniger auto's maken dan men nu werkelijk produceert.”

Nouwen hamert op het noodzakelijke alternatief, in de vorm van het openbaar vervoer. “Wat dat betreft is het beleid voor de burger niet meer te volgen. Enerzijds werd er de laatste jaren dubbel in het openbaar vervoer geïnvesteerd, maar nu wordt er opeens weer gekort op buslijnen. Terwijl de vraag naar openbaar vervoer enorm toeneemt - het gebruik van de trein stijgt met 18 procent en het woon-werkverkeer per auto neemt maar met één procent toe - krabbelt de overheid terug.”

Reynders: “Terwijl het gebruik van de auto zwaar gesubsidieerd blijft!” Nouwen: “Welk deel van mijn autokosten betaal ik dan nu niet zelf?” Reynders: “Het functieverlies van de natuur en de vervangingskosten van de gebieden die door wegen zijn bedekt.”

Wat kan de overheid nog meer doen aan het milieubeleid?

Reynders pleit behalve voor het prijsmechanisme sterk voor strengere regels en vindt dat de overheid veel te weinig doet aan het afdwingen van industriële innovatie ("technology and investment forcing'). Musters: “De overheid moet hier durven forceren, ze stelt zich nu te veel risico-mijdend op. Door de huidige stand van de techniek als basis te kiezen voor regelgeving, onthoud je de nationale industrie een prikkel tot innovatie. Economische Zaken moet die situatie doorbreken.” Vellinga bepleit in dit verband een bestemmingsheffing voor de financiering van technologische innovatie.

De Wit: “Essentieel is dat de overheid het bedrijfsleven zekerheid biedt en zich consequent opstelt. Steeds weer ontnemen regenbuien ons het zicht. Je moet niet als je net een convenant met de chemische industrie hebt gesloten, dat grote investeringen vergt, ineens met een milieuheffing komen, de subsidie op installaties voor warmte-kracht-koppeling verminderen en de onroerend-goedbelasting verhogen, zoals vorig jaar gebeurde. Als je nu iets van Japan kunt leren, dan is het hun wij-gevoel, dat zich heel duidelijk uitstrekt tot de industrie. Die zullen ze beschermen en niet lastiggevallen met ad hoc-beleid.”

Anderzijds zou de industrie zelf, volgens Musters, meer een lange-termijnvisie moeten ontwikkelen. “Het bedrijfsleven moet afleren in kwartaal- en jaarcijfers te denken. Ingrijpende milieumaatregelen moet je eerder plannen op een termijn van tien jaar.”

Hoe kan Nederland de doelstelling realiseren die in Rio aan de orde was, om de CO2-emissies in het jaar 2000 terug te brengen naar het niveau van 1990?

Reynders wijst erop dat de CO2-uitstoot met meer dan 60 procent omlaag moet om de concentraie van broeikasgassen op het niveau van 1990 terug te brengen. Twee derde daarvan kan volgens hem bereikt worden door een efficiënter energieverbruik (besparingen). Koppenol: “ We verspillen tien miljard kubieke meter aardgas per jaar in kleine ketels, terwijl de restwarmte van de centrales en procesindustrie vrijwel volledig verloren gaat. Hoe kan het toch dat men daar niets aan doet?” Reynders: “We moeten een andere minister van economische zaken hebben!” Koppenol: “Waarom geen opdracht aan een aantal firma's om uit te rekenen hoe dat moet?” Reynders met stemverheffing: “Niks rekenen. Doen, er is genoeg gestudeerd.” (Bedoeld wordt hier dat Nederland eigenlijk één grote stadsverwarmingswijk moet worden). De Wit: “Dat kost bakken geld. Vergeet niet dat gemeenten veel geld op stadsverwarming hebben verloren.”

Koppenol: “Ook warmte-krachtkoppeling zou op veel ruimere schaal moeten worden ingevoerd. Je ziet het nog te weinig, er is mijns inziens ten onrechte een grote drempelvrees en soms levert het ook nog te weinig op.” De Wit: “Bij Akzo is het een succes. Het had een nog groter succes kunnen zijn als Economische Zaken bij de subsidieverlening niet zulke strakke grenzen aan de capaciteit had gesteld.”

Koppenol stelt een andere mogelijkheid aan de orde: kernenergie. “Als u praat over CO2, dan kunt u kernenergie niet buiten beschouwing laten.” Vellinga: “Kernenergie is misschien in sommige landen nodig, maar in Nederland is het 't domste wat je kunt doen. We zitten hier op een gasbel, we hebben zelf geen industrie meer die bij de bouw van centrales een rol kan spelen en geheel afgezien van de risico's en het afvalprobleem is kernenergie ook economisch niet aantrekkelijk.” Reynders: “Ik zie geen principieel verschil met fossiele brandstoffen: ook de uraniumvoorraad is eindig. Het is de eco-duivel uitdrijven met een milieu-Beëlzebub.” Koppenol: “Voor zover het CO2-probleem moet worden opgelost is kernenergie een goed alternatief. Een standpunt dat louter gebaseerd is op de specifiek Nederlandse omstandigheden is daarom irrelevant.”

Vellinga: “Het echte antwoord voor de toekomst is investeren in zonne-energie. Over circa 30 jaar kan dat een grote bijdrage leveren. De tussenliggende tijd kunnen we overbruggen met gas. De laatste jaren is enorme vooruitgang geboekt in het rendement van zonnecellen.” Koppenol relativeert die opmerking: “Zonne-energie eist veel te veel ruimte en kan pas concurreren als een olieprijs van 40 dollar per vat wordt bereikt.”

Waarom horen we toch zo weinig van nieuwe initiatieven van de industrie?

De Wit: “Misschien is ons pr-beleid tekortgeschoten, maar in de industrie wordt veel meer aan lange-termijnbeleid gedaan dan je denkt. We doen veel aan energiebesparing, aan warmte-krachtkoppeling en we kijken heel kritisch naar onze produktieprocessen.” Koppenol: “En vergeet de vooruitgang niet die geboekt wordt met kolenvergassing, en de olievergassing bij de raffinaderijen. Maar in Nederland zijn de belangrijkste milieumaatregelen eigenlijk al getroffen, anders dan bijvoorbeeld in Italië en Engeland. Die grote verschillen binnen Europa maken het zo moeilijk tot een uniform beleid te komen.”

Welke rol mag van het bedrijfsleven worden verwacht na Rio?

Vellinga: “De industrie zou een goed debat moeten beginnen over de uitdagingen van het Rio-overleg, want de overheden komen nu kennelijk niet veel verder. Wat dat betreft zitten we in een impasse. Voor het bedrijfsleven liggen er bedreigingen, maar even zovele kansen.” De Wit: Er is helemaal geen sprake van een impasse. Je moet het zien als een mammoettanker die van koers verandert. Dat moet je voorzichtig doen en het kost veel tijd. We praten over zeer ingrijpende wijzigingen in de way of life.” Reynders: “Misschien moeten we naar een meer gedifferentieerde industrie, waarbij niet langer de achterblijvers in de boot worden gehouden.” Musters: “Als het milieu echt een probleem is, moeten we erin durven investeren. Je moet de technologie zien als drager van nieuwe ontwikkelingen.” De Wit: “Maar je moet wel blijven zorgen dat je een boterham verdient.”