POLITIEKE BOUWKUNST

Het spel met toren en kapel door Aart J. J. Mekking 48 blz., Walburg Pers 1992 (Clavis kleine kunsthistorische monografieën XII), f 19,50 ISBN 90 6011 778 6

Politiek gooit in de geschiedenis tegenwoordig hoge ogen als verklaringsmiddel voor de meest uiteenlopende fenomenen. Zelfs natuurwetenschappelijke theorieën blijken een politieke dimensie te hebben. We mogen wel spreken van een internationale trend. In dit koor is sinds enige tijd ook een Nederlands stemgeluid te horen. De kunsthistoricus Aart Mekking heeft een nieuw toepassingsveld voor de politieke benadering gevonden: de Middeleeuwse bouwkunst.

In Het spel met toren en kapel worden de gebouwen gepresenteerd als de stukken in het schaakspel van de machtspolitiek. De meeste aandacht gaat uit naar David van Bourgondië, bisschop van Utrecht van 1456 tot 1496. Zijn positie was fel omstreden. Om zijn aanspraken op het Sticht tegenover zijn concurrenten kracht bij te zetten, liet hij op diverse strategische plaatsen kopieën van de Utrechtse domtoren bouwen. Een andere potentaat die betrokken was bij het machtsspel in de Nederlanden was de Franse koning Lodewijk XI. Hij gaf nadrukkelijk acte de présence door bij de Sint Servaas te Maastricht een (thans niet meer bestaande) kopie van de Sainte Chapelle neer te zetten.

De tekst is ontleend aan Mekkings inaugurele rede te Leiden in november vorig jaar en lijkt vooral bedoeld om zijn benadering bij een lekenpubliek voor het voetlicht te brengen. Het gaat om enkele min of meer losse episodes. Bovendien wordt het model heel simpel gebracht. In eerdere publikaties rafelde Mekking gebouwen uiteen in hun bouwkundige elementen, waarvan dan vervolgens de vermoedelijke betekenis werd vastgesteld. Hier gaat het om complete gebouwen die eenvoudig als schaakstukken worden neergezet. Merkwaardiger is dat niet eens de betekenis van dit spel voor de kunstgeschiedenis expliciet wordt verwoord. Die is er natuurlijk wel degelijk en Mekking is zich daarvan ook zeer bewust. In zijn proefschrift over de Sint-Servaas, uit 1986, verzette hij zich bijvoorbeeld tegen een begrip als "Maaslandse stijl'. Zo'n begrip impliceert namelijk dat stijlelementen op "natuurlijke' wijze in een bepaalde streek zouden zijn gediffundeerd en geëvolueerd. Volgens Mekking gaat het veelal om welbewuste ontleningen, die voortkomen uit een politieke keuze. Mutatis mutandis geldt dit dan natuurlijk ook voor de kerktorens in Utrecht. Dat deze vaak op de domtoren leken wisten we al. Maar Het spel met toren en kapel laat het mechanisme zien waardoor zulk een gemeenschappelijke stijl wordt gevormd.

Dit is een ambitieuze onderneming met zwaarwichtige consequenties voor de traditionele kunsthistorische methoden. Men vraagt zich af hoe snel iemand daarin te ver kan gaan. Pogingen in het buitenland om historische verschijnselen politiek te verklaren leveren wat dat betreft een waarschuwend voorbeeld. Zij bieden een staalkaart van verreikende speculaties, troebele argumenteringen en apodictische uitspraken. Tegen Mekkings werk zijn dergelijke bezwaren ook wel geuit. In het buitenland zou zoiets waarschijnlijk een heftige discussie opleveren, in de loop waarvan (mag men hopen) niet alleen allerlei luchtballonnen zouden worden doorgeprikt, maar ook gevestigde opinies bijgesteld. In Nederland schijnt dat niet te werken. De nieuwlichter wordt hier kritisch, maar welwillend aangehoord, men geeft hem een leerstoel en dat is dan dat. Voor de rest gaat ieder zijn gang alsof er niets gebeurd is.

Het werk van Mekking is iets om in de gaten te houden. Wie meent dat geschiedschrijving in Nederland per definitie saai en fantasieloos is, wordt hier gelogenstraft. Het valt te hopen dat Mekking op zijn nieuwe leerstoel in een zinvolle discussie geraakt met zijn collega's, ook van andere disciplines.