Kronos Kwartet in A'dam; Gregoriaanse klanken en pop

Concert Holland Festival: Kronos Kwartet. Programma: werken van Hindemith, Goebaidoelina, Zorn, Daugherty, Kantsjeli en Górecki. Gehoord: 11/6, Grote Zaal van Concertgebouw, Amsterdam.

De stoelen voor de musici op het podium van het Concertgebouw zijn efficiënt maar ogen wat saai. Vandaar dat de leden van het Kronos Kwartet, dat gisteren in het kader van het Holland Festival in de Grote Zaal concerteerde, ze met strak gespannen, donkere netten een futuristisch uiterlijk gaven. Het oog wil tenslotte ook wat.

Het Kronos Kwartet bestaat uit voortreffelijke musici, die zich behalve om muziek ook om de verpakking ervan bekommeren. Ze kleden zich wat vlotter dan menig andere klassieke musicus en verlevendigen hun concerten met subtiele belichtingseffecten. En het werkt. Terwijl het Arditti Quartet al zo'n twintig jaar in muffige zaaltjes een muzikaal pleidooi houdt voor werken van Carter, Ferneyhough en Xenakis, trekt het Kronos Kwartet in steeds grotere zalen een nieuw en jeugdig publiek, belandt met zijn cd's (waarop soms ook Carter en Sjostakowitsj voorkomen) in de Top-100 en maakt in Amerika eigen radioshows.

Toch was er iets niet in orde met het concert van donderdagavond. De Ouverture zum "Fliegenden Holländer' van Hindemith was geestig en het Tweede strijkkwartet van Goebaidoelina, met een motiefje dat rusteloos op zoek lijkt naar één toon, had kracht. Al stoorde het (een consessie aan het aanwezige poppubliek?) dat deze werken elektronisch werden versterkt.

In de twee volgende werken, voor het Kronos Kwartet geschreven, was de elektronica wel functioneel. De krasserige geluiden waarmee John Zorn bekende strijkkwartetachtige klanken abrupt onderbreekt, zouden anders scherpte missen. Michael Daugherty combineert snelle strijkersklank, gebaseerd op het gregoriaanse Dies irae, met een flitsende, rap-achtige geluidsband - nooit geweten dat "pizzicato' zo'n swingend woord is. Dit was het beste werk op het programma, het enige dat in deze entourage goed tot zijn recht kwam.

Met de twee resterende stukken, eveneens op verzoek van het Kronos geschreven, werd de grens van de kitsch ruimschoots overschreden. De belichting die bij Daugherty nog functioneel was, werd hier banaal (het orgel stond in een rode gloed en vertoonde iets wat leek op een rozet in een kerk). Met deze muziek deed het Kronos een beroep op "diepere, universele spiritualiteit', zoals violist David Harrington het in een interview noemde. Dit is pure New Age, de religie van deze tijd. De gewijde stilte na afloop van de dromerige, lege mooitonerij van Kantsjeli en Górecki klonk bijna beangstigend. Ik heb de toegiften niet meer afgewacht, maar hoorde nog wel via de autoradio dat Harrington zijn laatste muziekje, Summa van Arvo Pärt, opdroeg aan het welslagen van de milieuconferentie in Rio. Daar kan niemand tegen zijn.