Koersaanpassing FNV vooral voor intern gebruik

ROTTERDAM, 13 JUNI. De bij de vakcentrale FNV aangesloten bonden willen volgend jaar genoegen nemen met koopkrachtbehoud, op voorwaarde dat werkgevers meer mensen aan werk helpen. Met deze stellingname hopen de FNV-bonden de bestaande impasse in het werkgelegenheidsbeleid te doorbreken.

Op het eerste gehoor klinkt dit FNV-geluid maar al te bekend in de oren. De grootste vakcentrale sprak de afgelopen jaren immers, bijna tot vervelens toe, haar bereidheid uit tot loonmatiging in ruil voor werkgelegenheid. Maar de toonzetting is dit keer toch anders. In het recente verleden claimden de bonden boven op de prijscompensatie eerst een reële loonsverhoging, soms oplopend tot een vol procent. Als er dan nog wat "onderhandelingsruimte' overschoot, werd geprobeerd wat te doen aan scholing, kinderopvang en meer banen voor vrouwen, minderheden en (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten. Voor volgend jaar willen de FNV-bonden deze volgorde omdraaien: dus eerst onderhandelen over uitbreiding van de werkgelegenheid en als dat een bevredigend resultaat oplevert, genoegen nemen met prijscompensatie.

Deze koersaanpassing is niet alleen ingegeven door bezorgdheid over de werkloosheid en de inflatie. Zij vloeit ook voort uit de frustraties die de verschillende vakbonden de laatste tijd hebben opgelopen. Over genoemde "goede doelen' bleek met de werkgevers nauwelijks zaken te doen. Soms werden de vakbondsonderhandelaars zelfs verrast door een loonbod dat uitsteeg boven hun looneis. In andere gevallen was het juist de eigen achterban die meer geïnteresseerd bleek in poen dan in banen.

De top van de FNV constateerde afgelopen voorjaar dan ook dat de formule "loonmatiging in ruil voor werkgelegenheid' had afgedaan. “Een keuze voor bestrijding van de werkloosheid, voor vergroting van de arbeidsparticipatie, kun je alleen op centraal niveau maken. Er is geen bedrijfstak, laat staan een bedrijf, dat daarover afspraken wil maken zonder de garantie dat andere sectoren en bedrijven dat ook doen”, zei J. Draijer, coördinator arbeidsvoorwaardenbeleid van de FNV, een maand geleden, het jongste CAO-seizoen overziend.

Opmerkelijk genoeg kwam de eerste bijval uit de hoek van de Industriebond FNV, uitgerekend de bond die toen net 4,75 procent loonsverhoging in 1993 in de metaalnijverheid had binnengehaald, waarmee in veler ogen een riskant hoge bodem in het overleg over andere CAO's voor volgend jaar was gelegd. Om zo'n ongewenste loongolf te keren, achtte voorzitter B. van der Weg van de Industriebond FNV een "participatie-akkoord' tussen de centrale organisaties van werkgevers, werknemers en kabinet gewenst. “Op landelijk niveau zou een afspraak gemaakt kunnen worden, waarbinnen CAO-partijen een invulling zoeken die het beste bij de concrete situatie past.”

Sindsdien is er weinig meer over vernomen. De werkgevers voelen onveranderd niets voor zo'n centrale afspraak, wat nog is versterkt door de in hun ogen teleurstellende resultaten van de laatste "centrale aanbeveling' over de terugdringen van het ziekteverzuim. Zij opteren voor centraal overleg in ruimer kader: over het sociaal-economisch beleid in het licht van de Europese eenwording. Een inzet die ook het kabinet wel aanspreekt.

Zo bezien lijkt de jongste koersaanpassing van de FNV vooral voor intern gebruik. De vakcentrale heeft de gelederen na een conflictrijk CAO-seizoen gesloten en haar bonden hebben zich gecommitteerd aan de door de Industriebond aangedragen invulling. En werkgevers en kabinet kennen haar mandaat: loonmatiging niet als inzet, hooguit als resultante van eventuele samenspraak.