Kamer ernstig verontrust over Europese invloeden

DEN HAAG, 13 JUNI. De discussie in de Tweede Kamer afgelopen week over het voorstel van de Europese Commissie om een Observatorium op het gebied van drugs in te stellen, was om ten minste twee redenen opmerkelijk. Ten eerste was daar de zeer ongebruikelijke belofte, woensdagavond tijdens een spoeddebat, van minister Van den Broek (buitenlandse zaken) om de Kamer donderdagmiddag te informeren over de stand van zaken in de vergadering van permanente regeringsvertegenwoordigers in Brussel.

Die toezegging was ongebruikelijk omdat het vooroverleg in dit ambtelijk voorportaal geldt als zeer geheim. Maar toen vervolgens donderdagmiddag bleek dat die informatie inderdaad niet zou komen, nam de Tweede Kamer een motie aan van D66-afgevaardigde Wolffensperger. Daardoor kan de regering pas na overleg met het parlement eventueel instemmen met het Commissie-voorstel. En dat betekent dat minister Van den Broek volgende week maandag met gebonden handen naar de vergadering van zijn collega's in de EG, de Algemene Raad, gaat: dat is zo mogelijk voor de Nederlandse verhoudingen nog ongebruikelijker.

Inmiddels is uit het ambtelijk vooronder in Brussel gebleken dat het gekibbel over de mate waarin het Observatorium informatie van de Lidstaten mag opeisen, uiteindelijk tot consensus heeft geleid. Het waarnemingscentrum mag alleen informatie verzamelen op het terrein waarop EG-competentie bestaat. Zo is in ieder geval voorkomen, zo lijkt het, dat via een achterdeur het Nederlands drugbeleid in handen zou komen van een Euro-Bonanza.

Het is onduidelijk in hoeverre de oprispingen over dit onderwerp in het Nederlandse parlement van invloed zijn geweest op de kennelijk voor Nederland acceptabele uitkomsten van het vooroverleg. Maar de reactie van de Tweede Kamer is in ieder geval een signaal van de breed gevoelde ongerustheid over het galop der Europese ontwikkelingen. Het is immers niet toevallig dat de afgelopen week ook PvdA-afgevaardigde Van Traa een bijna identieke operatie uitvoerde als Wolffensperger, maar dan gericht op dreigende ontwikkelingen in een ander Europees overlegcircuit.

Afgelopen woensdag moest minister Hirsch Ballin (justitie) op vragen van Van Traa toezeggen dat hij tijdens de vergadering van immigratieministers in Trevi-verband (de afgelopen twee dagen in Lissabon), politiek gebonden was aan de instemming achteraf van de Tweede Kamer. Daarmee wilde het PvdA-Kamerlid voorkomen dat de minister van justitie buiten het parlement om met zijn Europese collega's in intergouvernementeel verband zou komen tot een forse verschuiving in het asielbeleid. Het gaat om een wijziging die het mogelijk maakt dat vanaf 1 juli 1994 asielzoekers, die via een ander land Europa bereiken, terstond worden teruggestuurd zonder dat hun verzoek in behandeling is genomen.

De acties van Wolffensperger en Van Traa waren pogingen om grip te houden op over elkaar heen buitelende ontwikkelingen op Europees niveau. Kamerleden van verschillende fracties wezen er woensdagavond op dat de consequenties van het drugwaarnemingscentrum verder gaan dan de afspraken in het verdrag over de Europese Unie in Maastricht waarvan de Kamerbehandeling nota bene nog moet beginnen.

Bovendien houden zowel drugwaarnemingscentrum als asielbeleid nauw verband met weer een ander internationaal verdrag: Schengen. In dat kader zijn afspraken gemaakt tussen de Benelux, Duitsland, Frankrijk, Italië, Spanje en Portugal (en misschien straks ook Griekenland) om vooruitlopend op de Europese eenwording alvast de binnengrenzen op te heffen. Nederland heeft daarbij vier jaar onderhandeld met de andere Schengenlanden om te bedingen dat het eigen terughoudende drugbeleid gehandhaafd kan blijven. De uitvoeringsovereenkomst van Schengen regelt ook een zekere mate van harmonisatie van asielprocedures. En terwijl het debat over ratificatie van dat verdrag volgende week nog moet worden gevoerd in het parlement, zouden dus afgelopen week zowel op asielgebied als op terrein van drugbeleid en passant veel verder voerende afspraken worden gemaakt.

Wat de Kamerleden daarbij steeds heviger verontrust is dat zij niet of nauwelijks in de gelegenheid worden gesteld over de schouders van de ministers, als zij opereren in Europees verband, mee te kunnen kijken. Zo was de agenda van de Trevi-bijeenkomst in Lissabon wel vlak voor Pinksteren aan de Kamer gestuurd, maar in de praktijk betekende dit dat de leden er pas woensdagochtend kennis van konden nemen. In het geval van het drugwaarnemingscentrum werd van regeringszijde in het geheel geen informatie naar de Kamer gestuurd over de mogelijke consequenties.

Achteraf gezien had Wolffensperger nog mazzel dat hij alle verantwoordelijke bewindslieden (Van den Broek, Dankert, Simons en Hirsch Ballin) woensdagavond achter de regeringstafel bijeen kon drijven. Toen op dat moment echter de mogelijkheid van een heroping van het spoeddebat op donderdagavond ter sprake kwam, bleek dat dan alleen staatssecretaris Simons het “fort” zou bewaken, aldus Van den Broek. Hijzelf moest eten met zijn Vietnamese ambtgenoot, Dankert zat in Helsinki, en Hirsch Ballin dus in Lissabon. Daarmee illustreerden de bewindslieden de geringe prioriteit die zij toekennen aan de parlementaire verantwoording van hun Europese daden.