Joodse geschiedenis lang onderbelicht

Jozeph Michman, Hartog Beem en Dan Michman: Pinkas, Geschiedenis van de joodse gemeenschap in Nederland. Ede/Amsterdam 1992, prijs f 145

AMSTERDAM, 13 JUNI. De 78-jarige dr. Jozeph Michman, die voordat hij vanuit Nederland naar Israel emigreerde, nog Melkman heette en diens zoon Dan hebben samen met de in 1987 overleden Hartog Beem een uitvoerig werk (ruim zeshonderd pagina's) geschreven over de geschiedenis van de joden in Nederland.

Eergisteren werd het in Amsterdam "ten doop gehouden'. Hun werk - deels een vertaling van een Hebreeuwse versie uit 1987 - bevat een encyclopedie van alle bijna tweehonderd joodse gemeenten die sinds de dertiende eeuw in Nederland hebben bestaan. Ook geeft het een algemeen overzicht van de geschiedenis van de joden in Nederland. Voor Italië, Duitsland, Frankrijk en Engeland bestonden zulke in Israel geschreven overzichten al veel langer, maar Nederland moest het tot nu toe doen met een werk van een christelijke schrijver uit 1843.

In de eerste helft van de dertiende eeuw vestigden zich de eerste joden in het oosten en zuiden van het land. Zij die in Brabant woonden, werden geacht tot het "persoonlijk eigendom' van de hertog in dat landsdeel te behoren. In de eeuwen daarop werd het aantal joden steeds groter maar stonden zij ondertussen bloot aan allerlei vormen van fel antisemitisme, waarin ook de grote humanist Erasmus een meester was. Met het ontstaan van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden begon de eigenlijke geschiedenis van de joden aan de Noordzee. Sinds 1597 was Amsterdam een plaats waar Portugese joden onbevreesd konden leven en sinds het midden van de zeventiende eeuw gold dat ook voor uit Duitsland en Polen afkomstige joden.

Volledige vrijheid en burgerrechten kregen zij echter pas na 1795, het jaar waarin Nederland een Franse satellietstaat werd. Michman schrijft vervolgens over de daarop volgende eeuw, de periode van joodse maatschappelijke integratie. Daarna komen de joodse economische ontwikkeling, het zionisme en het antisemitisme in de jaren tussen de twee wereldoorlogen voor het voetlicht toen Amsterdam en Winschoten verhoudingsgewijs de grootste joodse gemeenten waren. Veel aandacht wordt er uiteraard besteed aan de vervolging van de honderdveertigduizend Nederlandse joden van wie er slechts dertigduizend (21 procent, een percentage dat slechts in enkele Oosteuropese landen even laag was) de jaren 1940-1945 overleefden. Van deze dertigduizend emigreerden er, zo schrijft Joop Sanders in het hoofdstuk "Opbouw en continuïteit na 1945', tussen 1946 en 1953 zeker 4.450 naar Israel, de VS en Australië en daarna, tussen 1954 en 1961 nog eens 3.900. Naar Israel gingen in het totaal (tot 1986) bijna tienduizend jonge joodse Nederlanders, maar plusminus zevenduizend keerden weer naar Nederland terug. Gevolg van deze emigratie- en remigratiegolf was dat de leeftijdsopbouw van het joodse volksdeel, nu nog steeds circa dertigduizend, heel anders ligt dan die van de niet-joodse bevolking. Zo telt joods Nederland procentueel drie keer zoveel 65-plussers dan onder niet-joden het geval is en valt het de joodse bevolking, voorzover zij dat al wil, uiterst moeilijk om de erosie van de eigen minderheidscultuur tegen te houden.

Over het verdwijnen van joodse cultuur zei voorzitter E.M. Wikler van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap dat een kleine zesduizend leden telt, dat dat onder meer komt doordat er zo weinig ouders en leraars meer zijn die nog over vroeger kunnen vertellen. Daardoor verbleekt de joodse historie als ook de joodse cultuur. Maar het zou goed kunnen dat Wikler gelijk heeft met zijn veronderstelling dat juist deze Pinkas de joodse Nederlanders erbij kan helpen iets van hun identiteit weer terug te vinden.