"Ik wil niet doden en ik wil niet gedood worden'; Serviërs, Kroaten en Bosniërs zoeken asiel om ver van het geweld te blijven; Omdat in Nederland van oudsher meer Serviërs wonen, komt vooral deze groep

AMSTERDAM, 13 JUNI. Aan de muur in zijn kamertje op het asielzoekerscentrum in Middelburg hangt een schilderij van de brandende kathedraal van Vukovar. Op de voorgrond een opengereten soldatenhelm waar de vlammen uitlekken. De maker van het schilderij is majoor Jovo Mraovic (47), een Servische Kroaat uit Zagreb. “De helm op mijn schilderij symboliseert de totale leegte in een soldatenhoofd. Want niemand weet nog waarvoor hij staat.”

Tot vorig jaar september was Mraovic beroepsmilitair, overtuigd communist en aanhanger van het Joegoslavische eenheidsideaal. In september 1991 zou zijn leven een dramatische wending nemen. Mraovic voerde het bevel over een garnizoen van het federale leger in Zagreb. De situatie was buitengewoon chaotisch. Het leger telde op dat moment nog veel Kroatische soldaten en zelfs de opperbevelhebber van alle garnizoenen in Zagreb was een Kroaat. Het leger was op dat moment geheel ingesloten door de Kroatische nationale garde die het federale leger sommeerde zich over te geven. Hevige discussies ontstonden wie men nu moest gehoorzamen: Servië of Kroatië. Mraovic kreeg vanuit Belgrado het bevel zich in geen geval gewonnen te geven. “We moesten doorvechten tot de laatste man en daarna de hele boel de lucht in laten vliegen.”

Op dat moment knapte er iets bij de Serviër. “Ik geloofde altijd dat mijn functie was om alle Joegoslavische republieken te verdedigen en niet slechts één. Daar stond ik nu bevelen te geven aan Serviërs en Kroaten die andere Kroaten overhoop moesten schieten. Ik realiseerde me dat ik politiek werd gemanipuleerd.” Mraovic besloot de Servische orders te weigeren. Maar wat te doen? Op desertie staat de doodstraf maar ook de Kroaten konden zijn bloed wel drinken. Immers, Mraovic werkte in het verleden tien jaar lang voor de militaire inlichtingendienst, in welke hoedanigheid hij persoonlijk verantwoordelijk was voor de arrestatie van Kroatische seperatisten van wie sommigen nu tot de politieke leiding van Kroatië behoren.

In paniek vluchtte Mraovic naar zijn huis in Zagreb, waar hij als Serviër temidden van Kroaten woonde. Onderweg werd hij beschoten door Kroatische sluipschutters die hem op een haar na misten. Omdat hij in Zagreb algemeen bekend was, besloot hij onder te duiken bij zijn beste vriend: een Kroaat. Daar bereidde hij zijn vlucht voor. Van het nachtelijk luchtalarm maakte hij gebruik om het Centraal Station in Zagreb te bereiken, waar hij de trein naar Duitsland nam. Zonder moeite kwam hij over de grens. Mraovic vroeg asiel aan in Nederland maar dat is afgewezen. Wat er verder ook zal gebeuren, terug gaat hij in geen geval. “Zowel in Servië als in Kroatië loopt mijn leven gevaar.”

Mraovic deelt zijn kamer met de uit Belgrado afkomstige Predrag Nikolic (39). Hij is een vondeling en weet niet wat zijn etnische afkomst is. “Tot dusver was ik Joegoslaaf”, zegt hij. “Mijn vriendenkring is totaal gemengd. Mijn pleegvader is Montenegrijns en mijn pleegmoeder Kroatisch.” Nikolic was tot vorig jaar werkzaam als medewerker op de afdeling prijzenuitreiking van de Joegoslavische staatsloterij. Op 16 september kreeg hij een oproep zich te melden bij het garnizoen van het federale leger bij Vukovar. Hij vervoegde zich bij de militaire autoriteiten. “Daar wilden ze me meteen inlijven maar na lang praten gaven ze me 24 uur uitstel.”

Nikolic overlegde met zijn vriendin en besloot onmiddellijk de benen te nemen. Bijna ieder jaar had hij zijn vakanties in Nederland doorgebracht, dus nam hij het eerste de beste vliegtuig naar Amsterdam. In de chaos wist hij door de douane te glippen. Twee dagen na zijn vertrek hoorde hij dat Servië militaire politie op het vliegveld had geposteerd om deserteurs meteen op te kunnen pakken.

Ook het asielverzoek van Nikolic is afgewezen. Zijn advocaat heeft daartegen hoger beroep aangetekend maar dat mag Nikolic niet in Nederland afwachten. Tegen die beslissing heeft hij een kort geding aangespannen. Omdat de Joegoslavische gemeenschap in Nederland van oudsher meer Serviërs dan Kroaten telt, zijn met name Serviërs geneigd naar Nederland te vluchten. Sommigen van hen, zoals Nikolic, zijn tegenstanders van het regime Milosevic, anderen denken nationalistisch. Nikolic: “Ik heb goede redenen andere Serviërs te wantrouwen. Hier in Nederland zoek ik liever contact met Kroaten, dan weet ik tenminste dat ze aan mijn kant staan.” Tegen zijn wens in, kreeg Nikolic een Servische tolk toegewezen. “Tijdens mijn interview stelde me ik heel voorzichtig op want ik wist niet of ik die tolk kon vetrouwen.” Later hoorde hij dat de vrouw in kwestie talrijke familieleden heeft die als vrijwilliger in Servische milities dienen.

Volgens het ministerie van justitie staan er in Nederland op dit moment ruim zesduizend vluchtelingen uit het voormalige Joegoslavië geregistreerd. Van hen hebben er ruim vierduizend asiel aangevraagd. Volgens de woordvoerder loopt de sitautie langzamerhand uit de hand: dagelijks arriveren er op het vliegveld Beek vliegtuigen uit Macedonië met Bosniërs aan boord. Het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen in Genève heeft verzocht Bosnische vluchtelingen niet terug te sturen en Nederland zal zich daar volgens het ministerie in principe aan houden.

Ante Cikara (27), een Kroaat een Zagreb, is rockrecensent. Als gevolg van de ineenstorting van het communisme was hij net een nieuwe toekomst aan het opbouwen. Met een vriend begon hij een onafhankelijk platenlabel en een agentschap voor rockbands. In juni kreeg hij een mobilisatie-oproep. “Ik had al lang besloten dat ik op geen enkele wijze aan deze oorlog wilde meedoen.” Cikara besloot te vluchten. “Ik was de eerste die vertrok; de rest van mijn vrienden zou volgen.” Terwijl de tanks door de straten van Zagreb reden en zijn buren vanaf het balkon het federale leger met stenen bekogelden, reisde Cikara naar Budapest. Die avond woonde hij daar een concert van Frank Zappa bij. De volgende dag reisde hij naar Frankfort. “Ik bleef daar één maand, wachtend tot de situatie beter zou worden. Maar de vrienden die ik opbelde zeiden: Kom in godsnaam niet terug.”

Cikara zette zijn zwerftocht voort. Hij kwam in Engeland terecht waar hij vier maanden zou blijven. Daarna toog hij Nederland waar hij zich meldde bij de overkoepelende organisatie Mi Za Mir ('Wij voor Vrede'), een vredesbewging van Serviërs, Kroaten en moslims uit het voormalige Joegoslavië. “Ik wil niet doden en ik wil niet gedood worden”, zegt Cikara. “Dat is mijn recht als mens.”

Ook Edin Barak, een moslim uit het Bosnische Sarajevo, is aangesloten bij Mi Za Mir. Barak studeerde architectuur maar had die studie onderbroken en werkte als vertegenwoordiger in onder meer erotische lingerie. Hij ontvluchtte in november zijn stad en heeft nu onderdak gevonden in een Amsterdams kraakpand. Voorheen woonde hij in de oude moslimwijk van Sarajevo, waar zijn familie nog altijd verblijft. Borak spreekt met grote liefde over zijn geboortestad. “Vijf eeuwen lang woonden we daar in vrede: joden, moslims, katholieke Kroaten en orthodoxe Serviërs. Zelfs tijdens de Tweede Wereldoorlog bleven we samen.” Nooit maakten Borak en zijn vrienden onderscheid in etnische afkomst. “Zelf had ik veel joodse vrienden”, zegt hij. In hun eigen dialect noemen de inwoners van Sarajevo zich van oudsher Sarajevska Raja, hetgeen zo veel betekent als 'Sarajevo-makkers'.

Sinds anderhalve maand heeft Barak geen contact meer met zijn familie en vrienden. De laatste informatie die hij kreeg, was dat zijn tweelingzuster en haar kind bij zijn ouders waren ingetrokken, omdat het daar veiliger zou zijn. Vier dagen geleden zag Barak op de televisie hoe zijn buurt op één dag door een regen van 400 mortiergranaten werd getroffen. Boraks zwager verblijft noodgedwongen in het "Servische' deel van Sarajevo. “Nadat hij zijn gezin bij mijn ouders had ondergebracht, ging hij nog even naar zijn huis terug om luiers en babyvoeding voor het kind te halen. Maar hij is nooit meer teruggekomen omdat de toegangswegen zijn afgesneden.”

De telefoon bij zijn zwager rinkelt nog wel maar wordt niet meer opgenomen. Barak is met recht bang dat zijn familieleden gewond zijn of wellicht gedood. Maar daar wil hij niet aan denken. Beelden uit Sarajevo kan hij nauwelijks verdragen. Eén keer moest ik huilen als een kind. Maar ik moet een man blijven.” Ooit hoopt hij weer in zijn geliefde stad terug te keren om te helpen met de wederopbouw. “De saamhorigheid komt weer terug, daar ben ik niet zo bang voor”, zegt hij. “Maar de stad zal nooit meer hetzelfde zijn.” Barak praat met zijn Bosnische vrienden in Nederland over niets anders dan de oorlog. Soms wisselt hij ook met Nederlanders van gedachten. “Ze zijn van goede wil maar begrijpen helemaal niets van het conflict”, meent hij. “Maar dat kan ik ze eigenlijk niet kwalijk nemen want zelf begrijp ik er ook niets meer van.”