"Ik schop, ik word gemener, ik groei'; Het chagrijn van Richard Witschge

Ik dacht: ik ga eraan. Op de hoek lag een bebloede jongen, neergeknuppeld, in elkaar geslagen. ik weet niet of-ie ooit nog overeind is gekomen. Als die skinheads van Espanol, de arbeidersclub hier, een Barcelona-sjaal zien, slaan ze op hol. Rood en blauw zijn in hun ogen de kleuren van de elite. Daar spugen ze op. Ik was net het stadion uitgewandeld toen een stuk of honderd van die gasten me herkenden: "Ritsie Witsie!, Ritsie Witsie!' Samen met een vriend zette ik het op een lopen, naar zijn Mercedes. Ik heb de deur nog niet op slot gedaan of er vliegt een karate-type met gestrekte benen op de voorruit af. Wàm, van die zware hakken op het glas. Dat bleef heel, en dus begonnen ze met z'n allen te schreeuwen, op de motorkap te rammen, deuken in die wagen te trappen. We scheurden met piepende banden weg. Als ze me te pakken hadden gekregen, zou ik zijn afgemaakt.

Verder is het voetbalklimaat in Spanje ideaal. Je hebt hier eerst voetbal, dan een hele tijd niks, en een eind verderop de rest van het leven. Barcelona heeft 110.000 socio's die ieder jaar zeshonderd gulden voor hun lidmaatschap betalen. Arbeiders met een minimumloon eten minder om een dure seizoenkaart te kunnen kopen. Aan het begin van dit seizoen zat er bij de trainingen 40.000 man in het stadion. Elke dag verschijnen El Mundo en Sport, kranten die stampvol voetbal staan. 's Avonds brengt de Catalaanse televisie voetbalnieuws, voetbalnieuws, voetbalnieuws. Viert Cruijff zijn verjaardag, dan ligt er een batterij journalisten op de stoep om te noteren wie op zijn feestje komt. Verhuist er een speler, dan komt daar een uitgebreid verslag van. In het begin stonden ze mij met camera's op te wachten als ik de dierentuin bezocht. "Exclusief: Richard Witschge bezoekt apenrots', las je de volgende dag. Als je het in dit land máákt, als je op het veld prachtige dingen flikt, dan ben je een held. God. Maar ja, als, hè. Als.

Ik heb acht miljoen gekost. Ik ben prof. Ik heb een zevenjarig contract bij misschien wel de mooiste club van de wereld. Het gekke is: ik heb het van jongsafaan gezegd. Als voetballer lag ik altijd jaren, járen op iedereen voor. Ik slalomde om leeftijdgenoten heen alsof ze ski-paaltjes waren. Mijn vader, bij DWS en Blauw Wit een snelle, soepele speler, hamerde erop dat ik de detailhandelschool moest afmaken, maar ik ging in de eindexamentijd liever met de Nederlandse UEFA's in Oostenrijk spelen. Directeur boos, nooit dat papiertje gehaald. Ik kom er zo ook wel. Leren en lezen heb ik trouwens nooit graag gedaan. Kranten kijk ik vluchtig door: dat zooitje ellende op de wereld gaat je wel aan, maar zou het verschil maken als ik op de hoogte ben? Ik verdiep me liever in Joop Klepzeiker.

Cruijff heeft me gebracht. Hij trainde Ajax, zag me daar in jeugdelftallen dollen met tegenstanders, zei op m'n zeventiende plotseling: "Zondag ga je mee naar AZ'. Ik vond het al een sensatie om op de bank te zitten.

"Witschge, warmlopen!' roept-ie in enen. Ik vloog erin - we wonnen met 6-1. Johan sodemietert iemand die hij ziet zitten gelijk in het diepe. Hard, hárd... Ik had 's last van mijn rug, kon niet onder kleine doeltjes doorlopen. "Je doet het of je verdwijnt totaal', zei hij. Volgens Johan hoeft voetballen met pijn geen probleem te zijn: het kan, dus het moet. "Blauwe plekken zitten in je hoofd', zegt hij vaak.

Cruijff had aan mij geen gemakkelijke. Ik lijk op mijn vader: overal maling aan, eigenwijs, de pest aan onrecht, geen angst voor autoriteiten, bek opentrekken tegen trainers. Mijn broer Rob is precies het tegenovergestelde: een zachtaardige, lieve jongen. Hij lacht zelfs tegen lui die hij niet mag. Net als mijn moeder, die zal ook nooit een vlieg kwaad doen. Pa en ik slaan 'm liefst dood. Eh, als-ie irriteert dan.

Ze zeggen dat ik een chagrijnig hoofd heb. Kan ik er wat aan doen dat die ogen zo staan? Ik ben vaak pissig op mezèlf, ik kan ongelofelijk balen als ik slecht heb gevoetbald. Mensen die denken dat ik alleen hard voor anderen ben, zouden eens moeten zien hoe ik na een waardeloze wedstrijd de videobanden zit te bekijken. Dat gaat van klootzak zus en zakkenwasser zo. Toch beweerden zogenaamde collega's bij Ajax achter mijn rug om dat ik arrogant ben. En waarom? Omdat ik nooit te bang ben om recht in het gezicht van iemand te zeggen wat ik van hem vind. Een gast van MVV noemde mij laatst in Voetbal International de grootste kwal in de voetballerij. Kijk, zoiets zou ik nooit doen. Een speler zeik je af waar-ie bijstaat, òf niet.

Het grote probleem is dat voetballers alleen complimenten willen horen. Ze hebben nog liever dat je liegt dan dat je ze helpt. Wat bij Ajax ook een rol speelde, was dat ik als jongste zo ongeveer de meeste centen pakte. Jaloezie, hè. Roy en ik begonnen niet met een Citroën AX-je, nee, ons leek een grote BX-GTI stukken leuker. Iemand die honderd miljoen op de bank heeft koopt toch ook geen Fiat 127? Die rijdt in een Jaguar, een Rolls. Nou, moeten wij dan... toe zeg.

Voetbaltechnisch ging het uitstekend. Onder Johan werd ik nagenoeg tweebenig. "Om snel en effectief te handelen', zei hij, "moet je je rechterbeen ontwikkelen.' Ik nam vaak aan met rechts, tikte de bal naar mijn linkervoet, en gaf dan - twee seconden te laat - een pass. Cruijff leerde me direct met rechts te schieten. Als ik alleen voor het doel stond, klaar om met links te scoren, schoof hij 'm naar mijn rechterstandbeen. Stond je gespijkerd. Weg kans. Lachte Johan je uit. Houd je smoel, dacht ik soms. Maar dat wil-ie juist. Dat je kwaad wordt. Dat je je zwakheid laat zien. Dat het bloed onder je nagels vandaan komt. Dàn heeft-ie je. Van de honderd keer weet Cruijff minstens 97 keer zijn gelijk aan te tonen - en jij profiteert.

Na zijn vertrek bleef ik stilstaan. Linder kwam, Hulshoff, later Beenhakker... Ik begon intuïtief te voetballen. Dat rechterbeen werd verwaarloosd - door de trainers, maar vooral door mijzelf. Johan dacht vorig jaar zomer een speler naar Barcelona te halen die was gerijpt, maar ik had een pas op de plaats gemaakt. Hij was teleurgesteld. Hij schrok. Ik ook, want in dit vak krijg je gelijk de rekening gepresenteerd. Knal, tegen de muur, zoek het maar uit.

Mensen bekijken voetbal overdreven romantisch. Met van die ouwe dingen als kameraadschap, clubliefde en zo. Maar het is business, het is een wereld die... nou ja, die feitelijk gevoelloos is. Het gaat om scoren, en resultaten, en macht. Op een gegeven moment hadden we met Ajax een mindere periode. Paar keer verloren, het draaide niet. Beenhakker zorgde ervoor dat het aan mij werd geweten. Ik was lui, weet je wel, ik had een slechte mentaliteit, ik leek doofstom, ik speelde voor mezelf en niet voor de ploeg. Hij schoof me naar voren als dè vertegenwoordiger van de patat-generatie.

Jan Wouters kankerde dat ik te solistisch was: hij vond dat ik eerder moest afspelen, dat ik te vaak een mannetje voorbij wilde. Tijdens oefenpartijtjes dreigde hij mijn benen te breken. Ik heb heel wat keren tegen het hek gelegen. Probeerde ik hem te passeren, kreeg ik een elleboog, of een zwieper - Jan raakt je altijd wel. Ik voelde me vernederd: hij dirigeerde je naar alle hoeken van het veld, hij had het voortdurend over het positiespel dat je niet begreep, en hij vloekte je stijf als je de bal een keer aan je voet hield. Ik kreeg het gevoel dat voetballen bij Ajax alleen maar lopen was.

Er kwam een groepsgesprek. Danny Blind - ik heb nog 's in zijn schoenen gescheten - sloot zich aan bij de kritiek van Beenhakker en Wouters. Ze verweten me ook dat ik vóór de wedstrijden te luidruchtig zat te kaarten in de bus. Ik stond op het punt de tafel door het raam te gooien, maar ik liet ze kletsen. "We hebben besloten je terug te zetten naar het tweede', zei Beenhakker. De ergste pijn was dat ik daardoor niet mee kon naar Frankrijk, waar we zouden spelen tegen Saint-Etienne, toentertijd de club van m'n broer. Mijn hele familie was daar al heen gereisd. Ik moest afbellen. Misschien was het een ondoordachte strafmaatregel, misschien was het wraak. In ieder geval was het slecht getimed.

Ik nam me voor nooit meer een bal voor Ajax aan te raken. Mijn vader informeerde bij de clubleiding hoeveel ik moest kosten, maar ik mocht niet weg - ze hielden me aan het contract. Pure dwarsbomerij. Er zat maar één ding op: vechten. Binnen een maand stond ik weer in het eerste. Koud een half jaar later selecteerde Beenhakker me als coach van Oranje zelfs voor het WK in Italië. Kàn natuurlijk niet, hè, dat je het ene moment geen pepernoot weet te raken en het andere moment rijp bent voor het Nederlands elftal. Dat zit scheef. Ik speelde precies hetzelfde! Het punt is dat ze mij hebben gebruikt als zondebok, als pispaal. Door die truc moesten de Ajax-jongens een kick krijgen, van het dode spoor worden gehaald. 't Is psychologisch.

In de voetballerij kan dat allemaal. Trainers willen successen boeken, en als ze daarvoor iemand moeten opofferen... best, net zo makkelijk. Beenhakker zal zeggen: "Het werkte, Ajax pakte uiteindelijk het kampioenschap.' Maar voor hetzelfde geld heeft Richard Witschge nét de kracht zich terug te knokken. Stort-ie voorgoed in, brandt-ie af. Zat goeie voetballers die er op zo'n manier aan onderdoor zijn gegaan, hoor. Ik háátte die man, ik kon hem wel wat. Intussen is het gesleten, maar een vriend zal Beenhakker nooit worden. Afijn, echte vrienden heb je sowieso niet in de voetballerij. Dat is wat ik zeg: het is een wereldje van klappen krijgen en klappen uitdelen. Verder niente.

Ik ben hier met Johan in feite opnieuw het ABC gaan doornemen: "Richard, rechterbeen! Bedenk wat je met die bal gaat doen vóór je 'm krijgt!' In het voorseizoen leek ik goed uit de verf te komen. Zo goed dat de kranten schreven: "Witschge heeft een fluwelen linkervoet. Koeman, Laudrup, Stoitsjkov - wie van de drie buitenlanders moet wijken voor de beste nummer 10 van Europa?' De regels zijn nu eenmaal zo dat een ploeg slechts drie niet-Spaanse voetballers mag opstellen. Cruijff begon de competitie zonder mij: hij gaf de voorkeur aan de spelers die Barcelona vorig jaar het kampioenschap hadden bezorgd. Rot. "Ik zal hier slagen, ik zorg wel dat ik speel', had ik geroepen. Maar met een paar wereldvoetballers vóór je blijkt dat eigenlijk niet te doen. Ronald is een onmisbare centrale verdediger. Laudrup maakt een come back: hij passeert vloeiend, versnelt in de versnelling, terwijl het lijkt alsof hij slentert. En Stoitsjkov schopt ze er gewoon lekker in. Hij is de publiekslieveling: provoceren, temperamentvol, spectaculair.

Als Barcelona een ruime voorsprong heeft, wil Cruijff die Bulgaar nog weleens naar de kant roepen. Ga ik erin. Zo'n tactische wissel - ik dek verdedigend de linkerflank af - maakt de toeschouwers woedend. Moet je je voorstellen: jij komt het veld op en tachtig- à honderdduizend fans beginnen spontaan te fluiten. Je weet dat ze geen klerehekel aan jou hebben, je begrijpt dat ze het liefst een sensationele aanvaller zien, maar toch. Het doet zeer. Er komt een soort stijfheid in je spieren, je staat strak. En dat terwijl je al verkrampt bent: als invaller heb je dikwijls niet meer dan een minuut of twintig om jezelf te bewijzen.

Reserves die even mogen opdraven, zitten tussen twee vuren. Aan de ene kant zouden ze als een kunstbiljarter over het veld willen gaan en in no time al hun trucs willen demonstreren. Aan de andere kant beseffen ze dat één fout voldoende is om de critici te laten zeggen: zie je wel, een basisplaats verdient-ie niet. Het gevolg is dat je steeds soberder gaat spelen: geen balletjes achterlangs, geen lobs, geen hakkies, geen riskante steekpassjes. Voor mij is dat... grmpfff... fnuikend. Ik ben juist iemand die graag iets geks doet. Nu moet ik terughoudend zijn, en dat wrikt. Ik maak het spel niet, ik loop méé te voetballen. Richard Snot.

In Nederland bestaat de indruk dat ik nauwelijks heb gespeeld. Zo erg is het nou ook weer niet. In de competitie liet Cruijff me niet alleen regelmatig invallen maar ook tien, vijftien keer van meet af aan meedoen. Ik maak hem geen verwijten - nee, nee, dat is absoluut geen gelul -, maar een echte kans noem ik dat niet. Een echte kans is: gegarandeerd twaalf wedstrijden achter elkaar er tegenaan kunnen. Ritme opdoen. Vertrouwen krijgen. Ik ervaar dit jaar als een vernedering. Ik ben pas 22, ik zeg telkens: "Richard, gun jezelf tijd', maar het helpt niet. Wie wil dat zijn, een van de duurste bankzitters ter wereld?

Je gaat eerlijk gezegd zitten hopen dat je concurrenten in de kreukels raken. Je vlast erop dat ze een mankement oplopen, niet pijnlijk maar wel langdurig. Dat zou iedereen toch hebben? Je denkt niet: laat die mannen morgen maar weer de sterren van de hemel spelen. Het is een rare gespletenheid. Als mens gun je ze geen narigheid, als voetballer wel. Je wilt je beroep uitoefenen, je zou graag lol in het voetballen hebben, en als een ander daarvoor plat moet... dan zij het zo. Ik denk dat het hele leven zo in elkaar zit. Als er twee benzinepompen naast elkaar zitten, verlangen de eigenaars toch allebei naar het moment dat de buurman in de fik vliegt?

Ik zag Lia's gezicht vertrekken. Ze zat tussen de andere spelersvrouwen op de eretribune van het Wembley-stadion. Ze had me niet verwacht, dacht dat ik de Europacup-finale zou meespelen. Ze begon te huilen. Ik dacht dat ik het kon houden, maar verderop zaten mijn vader, Rob... stonden we daar allemaal te janken, zeg.

De blessure leek in het begin niet ernstig, stram linkerdijbeen, maar als het warm was kon ik voluit gaan. Tegen Mallorca voelde ik de brand in die spier nog niet, maar de dag daarop, bij het schieten, kwam er als het ware een mes in te staan. Het was een scheur van een centimeter. In Londen probeerde ik vlak voor de wedstrijd onder begeleiding van doktoren te sprinten: pijn, vreselijke pijn. "Kan het met een spuit?' vroeg Johan. "Alles kan', zeiden ze, "maar Richard heeft dan geen idee meer van de pijngrens. Het risico is groot dat hij die spier compleet aan flarden trekt en dan wordt het opereren. Staat-ie er misschien een half jaar, een jaar naast.' We besloten gezamenlijk het niet te doen. Ik heb me nóóit speelklaar laten prikken.

Omdat ploegen in de Europa Cup tot en met dit seizoen wèl vier buitenlanders mochten inzetten, had ik vrijwel al die wedstrijden meegedaan. Het missen van een finale is sportief vervelend, commercieel een ramp. Ben je een van de uitblinkers, dan staan de clubs voor je in de rij. Nu gebeurt het tegenovergestelde: de Spaanse pers heeft het over het verhuren, ruilen of verkopen van Richard Witschge. Over verhuur valt met mij niet te praten. Ik ga niet nog 's verhuizen om op uitleenbasis een tijdje in Verweggistan te zitten.

Het Europees Kampioenschap had mijn hele seizoen kunnen redden. Foto's in het ziekenhuis van Barcelona wezen uit dat ik rust moest nemen, maar omdat ik al twee jaar vaste kracht in Oranje was ging ik ervan uit dat Michels mij serieus wilde laten onderzoeken door de KNVB-artsen. Dat zag ik verkeerd. Michels verweet me zelfs openlijk dat ik naar Nederland was gekomen: "Als we dit van tevoren hadden geweten, had Witschge bij Cruijff kunnen blijven.' Ik vond zijn desinteresse, eh, ongepast. Zo hoort een bondscoach het niet aan te pakken.

Met assistent Advocaat naast zich vertelde Michels me persoonlijk dat hij geen geblesseerde spelers wilde meenemen naar Zweden. "Praat jij maar verder, Dick', zei hij opeens. "Ik ga naar de pers.' Het duurde hem schijnbaar te lang. Ik beweer niet dat het een foute beslissing was, maar waarom gaat het zo kil toe? En zou dit besluit ook zijn gevallen als het niet was gegaan om pupillen van Cruijff maar om spelers van AC Milan? Ik betwijfel het. Dat geval-Koeman sloeg natuurlijk óók nergens op. Michels heeft Ronald de kampioenswedstrijd van Barcelona zonder reden ontstolen.

Ik het één troost: Rob speelt op mijn plaats in Oranje. De een z'n dood is de ander z'n brood, maar dit brood blijft tenminste in de familie.

Ik heb m'n buien. Op het moment dat Barcelona kampioen wordt ben je blij, maar niet in een feeststemming. Je helpt de jongens als ze Cruijff en voorzitter Nunez met kleren en al in het bad gooien, maar achter in je hoofd blijft iets zeuren. Je hebt in feite met één been een bijdrage geleverd.

Af en toe ben ik helemaal van de wereld. Zit ik te malen, hoor ik niet eens wat mijn vrouw zegt. Je gaat je van alles afvragen: was het verstandig binnen een jaar te gaan samenwonen, te trouwen, naar Barcelona te vertrekken en een kind te krijgen? Was het niet wat veel? Hebben die doorwaakte nachten invloed gehad? Of zit het gewoon in mezelf? Ik ben altijd een ettertje geweest. Dat is de afgelopen twee jaar jammer genoeg verwaterd. In het profmilieu móet je een ettertje zijn. Je kunt daar schijnheilig over doen, maar zo ligt het. Je hoort je teamgenoten te laten zien dat je hard bent. Dat je niet met je laat sollen. Je moet schijt aan alles hebben, je moet tonen dat je alleen rekening houdt met jezelf. Zie Van Basten, zie Maradona. Om respect af te dwingen, om je te handhaven, deel je af en toe een keckie uit. Of twee. Of drie.

Vroeger zag ik de zin van het schoppen niet, maar in deze situatie is het nuttig. Als buitenlander in Spanje heb je een stap extra te zetten. Je gaat onderuit als je je niet laat gelden. Dus ik schop. Ik word gemener, minder menselijk. Ik groei. Mensen die mij een mislukte miljonair noemen, zullen volgend jaar wat beleven. De hemel geef je niet zomaar op, hè.