Het mysterie van het verdwenen jongensboek; Onraad in het Zwin

"Het Geheim van...', "Raadselen rond...', "De verdwenen ...' Waar zijn toch de jongensboeken gebleven zoals ze in de dagen van weleer werden geschreven, gellustreerd en van een omslag voorzien? NRC Handelsblad nodigt deze zomer een aantal auteurs uit op zoek te gaan naar dit verdwenen jongensboek en er zelf een spannend hoofdstuk van te schrijven. Vandaag als eerste William Rothuizen.

,Gooi de fok maar omlaag, Jaap, we gaan vaart minderen!'' Tom voelde zijn hart minder snel kloppen nu ze veilig de geul van het Zwin binnenvoeren. Gelukkig, de Albatros van oom Harry was gered! Terwijl hij de sloep handig langs een boei stuurde, zag Tom hoe Jaap in de harde windvlagen met de fok worstelde en er pas na een tijdje in slaagde dit voorzeil op te bergen. Het grootzeil hadden ze al veel eerder moeten laten zakken. Wat vanmorgen zo'n mooie dag op het water leek te worden, was uitgelopen op een angstig avontuur. Misschien hadden ze zich te ver buitengaats gewaagd. Laat in de middag was de lucht zwart geworden en kwam er een venijnige noordwester opzetten. De Albatros kreeg water binnen en luisterde in de hoge golven slecht naar zijn roer. Jaap wilde terug naar de haven van Breskens, maar Tom wist dat dat voor het donker niet zou lukken. De sloep voer geen verlichting en al was er een grote staaflantaarn aan boord, die bood op het donkere water onvoldoende bescherming tegen het risico overvaren te worden.

Oom Harry had nog zo gewaarschuwd: “Jongens, denk erom, in de herfst zijn de dagen kort.” De gedachte dat ze oom Harry's stoere Albatros zouden verspelen, had Tom half verlamd. Maar ineens had hij besloten de geul van het Zwin binnen te varen. Met doodtij moest dat lukken. Hij kende het geheimzinnige Zwin immers als zijn broekzak? Ze konden het midzwaard optrekken en de sloep tussen de schorren op de modderige bedding van een geul in veiligheid brengen. Een anker zou ervoor zorgen dat er niks mis ging als het vloed werd. Later zouden ze wel verder zien. Jaap stond te rillen in de wind. “Wat voor een kapitein ben jij!” riep hij, “had je me niet kunnen vertellen dat ik voor dit soort verrassingen gepaste kleding moest meenemen?” “Je mag bedenken dat we hier de hele nacht moeten blijven”, antwoordde Tom korzelig, “we kunnen de Albatros niet alleen laten. Haal het anker alvast maar tevoorschijn.”

Het begon donker te worden. Tom keek naar de verre lichtjes van Knokke en naar het torentje van Hotel Noordzee in Cadzand waar oom Harry zoals gewoonlijk zijn intrek had genomen. Samen met Jaap had Tom een kleine kamer op de tweede verdieping. Hij bedacht hoe aardig het eigenlijk wel was van oom Harry om hem elke herfstvakantie uit te nodigen om te komen varen en daarbij ook nog eens een vriend mee te nemen. Jaap had geen zeilervaring, maar als beginneling bleek hij zich kranig te kunnen weren. “We zullen ons er zo goed mogelijk doorheen moeten slaan, Jaap”, zei Tom toen de sloep voor anker lag. “Al ons eten is op en ik heb zo'n honger”, klaagde Jaap. “Toch maar proberen een beetje te slapen”, antwoordde Tom, “somns moet een matroos het even zonder eten en drinken doen.” “En een goeie kapitein zorgt dat hij voor de bui binnen is”, zei Jaap pesterig. Tom voelde zich knap beledigd door die opmerking, maar dat wilde hij niet laten merken. “Jaap”, zei hij, “we zitten in hetzelfde schuitje. Kom, wat hebben we aan kleren en zeilen? We pakken ons zo warm mogelijk in en proberen te slapen. We mogen blij zijn dat we veilig in het Zwin liggen.”

De vloed kwam op en zo goed als het kon sliepen de vermoeide zeilers in de open sloep. Tom werd wakker van een dof gebrom. Hij kwam overeind en keek om zich heen. Een zoeklicht zwaaide over het onrustige water. Het kwam dichterbij. Even flitste het door hem heen dat de motorboot van de Rijkspolitie op zoek was naar de Albatros, maar hij zag al gauw dat het een heel ander vaartuig was. Een soort sleepboot die zich met behulp van het zoeklicht een weg zocht door de geul. Tom bleef naar het vreemde vaartuig kijken en kreeg een onheilspellend voorgevoel. Wat was dat voor boot? Wat deed die 's nachts in het Zwin?

Ineens scheen het licht fel in zijn ogen. Het gebrom werd harder en de zwarte boeg van de vreemde sleepboot draaide dreigend in zijn richting. Tom kon nu vage figuren onderscheiden. Midden op de sleepboot stond een donkere gestalte met een grote hoed, gehuld in een lange, wapperende jas. Tom voelde instinctief dat er met die boot iets niet pluis was. Onwillekeurig begon hij aan het ankertouw te trekken om de Albatros dicht bij de hoge schorren te brengen. “Jaap”, riep hij. Hij zag hoe zijn vriend langzaam overeind kwam. De sleepboot was nog maar enkele meters van hen vandaan. Tom griste de staaflantaarn vanonder de helmstok, schreeuwde: “Jaap, kom mee!” en sprong over boord. Hijgend klampte hij zich vast aan het ruwe gras. “Twee natte voeten”, kreunde hij. Het zoeklicht flitste onrustig heen en weer. Hij krabbelde op de modderige oever, sprong overeind, rende een stukje, struikelde en dook weg in een kleine geul. De wind blies over de schorren. Voorzichtig keek hij in de richting van de Albatros. In het zoeklicht zag hij hoe Jaap werd vastgepakt door twee donkere figuren. De man met de hoed maakte gebaren. Even later flitste het zoeklicht heen en weer over de plek waar hij verborgen zat. Tom besefte dat hij snel weg moest. Gebruikmakend van de moddergeul en soms even van de staaflantaarn kroop en rende hij verder. Toen hij ging zitten voelde hij pas goed hoe koud en nat zijn voeten waren. Wat gebeurt er met Jaap? Hoe bereik ik oom Harry of opperwachtmeester Franchimont van de Rijkspolitie? vroeg hij zich af. Ineens hoorde hij nieuwe geluiden. Lichte motoren op het water. Hij probeerde te zien wat er gaande was, maar de duisternis maakte dat onmogelijk. Het nieuwe geluid ging richting sleepboot. Het kwam van verschillende kanten. Wat kon dat nu weer zijn?

Tom keek naar het torentje van Hotel Noordzee in de verde. Zou oom Harry...? Hij richtte de staaflantaarn en begon te seinen: ...---... (4 x) --- --- -- .... .- .-. .-. -.- - --.. --. Geen reactie. Wanhopig probeerde hij het nog een keer en nog een keer. Eindelijk begon er een lichtje te flitsen in het torenkamertje van Hotel Noordzee: - --- -- Tom kon zijn ogen niet geloven. Met een zucht van verlichting seinde hij in een razend tempo zijn verhaal naar oom Harry: --- -. .-. .- .- -.. .. -. .... . - --.. .-- .. -. enz. Begrepen (.-.) flitste oom Harry tenslotte terug.

In de grauwe, vroege morgen zaten ze allemaal rond de grote ontbijttafel van Hotel Noordzee. Tom met droge sokken, oom Harry met zijn grijze snor, opperwachtmeester Franchimont die zelfs nu zijn pet niet afzette, de nog wat bibberende Jaap, nog enkele politiemensen en een verslaggever van de Provinciale Zeeuwse Courant. “We hebben een mooie slag geslagen”, opende opperwachtmeester Franchimont het gesprek. Hij keek naar Tom en Jaap. “Dankzij jullie hebben we een gevaarlijke bende opgerold. We vermoedden al een tijdje dat het spul via het Zwin aan land werd gebracht. Maar we visten steeds achter het net.” Tom speelde met de staaflantaarn en keek naar Jaap die er nog steeds wat bedremmeld bij zat. De verslaggever zat ijverig te noteren. “Het is inderdaad een gevaarlijke bende”, beaamde oom Harry. “Vanuit Engeland kwam de sleepboot regelmatig naar het Zwin, waar Nederlandse en Belgische handlangers in zwarte rubberboten met hulpmotoren het spul overnamen. Vandaar ging het naar Antwerpen en Amsterdam”, vertelde opperwachtmeester Franchimont verder. “Wie was de man met de hoed?” wilde Tom weten. “Dat is de internationaal gezochte gangster Denis Hubberfield, maar zijn spel is uit. Toen jouw oom Harry ons belde, stoomden we snel op naar het Zwin. We riepen assistentie op. Jaap had het Hubberfield en zijn mannen flink lastig gemaakt, zodat ze vertraging opliepen. Dus lukte het ons de sleepboot in te sluiten en de mensen met de rubberboten te achterhalen. Er werd nog geschoten, maar we konden iedereen overmeesteren. Jaap vonden we geboeid in het vooronder. Hij was er niet best aan toe. Maar eind goed, al goed.”

“Wat voor spul brachten ze dan aan land?”, vroeg Tom vermoeid.

“Gemeen goedje”, zei de opperwachtmeester, “iets waar je beter niet mee in aanraking kan komen.” Tom speelde met de staaflantaarn, richtte op opperwachtmeester Franchimont en seinde: .-.

Idee, vormgeving en illustraties; Henry Cannon en Frank Dam