EEN WERKELIJK AARDIG MENS

Deadline. A Memoir door James Reston 452 blz., Random House 1991, f 56,75 ISBN 0 394 58558 5

Van de twee grote Amerikaanse rubriekschrijvers in de 20ste eeuw, Walter Lippmann en James ("Scotty') Reston, heeft alleen de laatste mémoires geschreven. Lippmann bleef zijn rubrieken en boeken schrijven; er was geen tijd voor mémoires. Reston nam enige jaren geleden afscheid van zijn New York Times. Een enkele keer verschijnt er nog weleens een rubriekje van zijn hand als hem iets te hoog zit maar zijn mémoires zijn een duidelijke afsluiting van een glanzende journalistieke carrière.

In 1909 in Schotland geboren, emigreerde hij in 1920 met zijn ouders naar de VS. Van de onderste sport van de journalistiek - sportverslaggever van Associated Press - bereikte hij de hoogste toppen van de New York Times. Zijn grote functie is die van het hoofd van het "Washington bureau' van de N.Y. Times - na het hoofdredacteurschap de belangrijkste en invloedrijkste positie bij de krant. Hij bleef in alle functies zijn rubrieken schrijven.

Het is verleidelijk om Lippmann en Reston te vergelijken. Twee overeenkomsten: De eerste is de enorme invloed, die zij beiden op het Amerikaanse politieke leven hebben uitgeoefend. Die is ook door de televisie niet aangetast. Zij schreven voor één krant, maar hun rubriek werd door tientallen andere kranten, vooral in de VS, maar ook in het buitenland, overgenomen. De lezerskring van de 4000 rubrieken die Lippmann tijdens zijn leven heeft geschreven, wordt geschat op 20 miljoen en ook Reston bereikte een massaal aantal lezers.

Vanaf Franklin Roosevelt zouden 10 presidenten het wel uit hun hoofd laten om de rubrieken van die twee te missen, waarschijnlijk met uitzondering van Reagan, want die las niet. Hun toegang tot de groten der aarde in binnen- en buitenland was ongelimiteerd. Een illustratief verhaaltje over de status van het hoofd van het Washington bureau van de N.Y. Times wordt door Reston met smaak gememoreerd. Zijn voorganger in die functie was Arthur Krock, die eigenlijk nooit uit zijn kamer kwam. Toen Dean Rusk in 1963 benoemd was tot Secretary of State ontving hij een gelukwensbriefje van Krock dat eindigde met de uitspraak, dat hij van harte welkom was bij Krock als hij de behoefte had om een praatje te maken.

Een tweede overeenkomst tussen Lippmann en Reston heeft te maken met hun opvatting van de functie van de rubriekschrijver. Zij werden nooit beheerst door het nieuws en ze brachten ook zelden nieuws. Ze gebruikten feiten om ze te relateren aan de hoofdlijnen van het politieke gebeuren en vooral aan een te voeren toekomstig beleid.

Maar er waren ook verschillen. Lippmann was autoritair en ijdel. Reston eerder mild en bescheiden. Lippmann was een extreme rationalist. Reston had altijd een ethische en soms een stichtelijke ondertoon, waaraan zijn Schotse presbyteriaanse achtergrond zeker niet vreemd was. Lippmann was koel als ijs. Toen iemand hem eens vroeg hoe hij zijn verontwaardiging uitte zei hij, dat hij daarop ging zitten. Reston was gepassioneerd en bewogen en in sommige rubrieken - en ook in zijn boek - voelt men de tranen achter zijn ogen.

OPHEF

Het boek van Reston is een dubbele liefdesgeschiedenis. Het is doordrenkt met de liefde voor en de kameraadschap met zijn vrouw Sally met wie hij meer dan 60 jaar is getrouwd. Zij heeft een grote invloed op hem uitgeoefend.

De tweede liefdesgeschiedenis is die met de VS, maar die is gecompliceerder en minder onkritisch. Hij schrijft daar zelf over dat hij zich bewust is van een tegenstelling. Enerzijds is hij diep onder de indruk van wat de natie in de laatste 50 jaar heeft bereikt; anderzijds is hij vol kritiek op het systeem dat die successen heeft voortgebracht. En zijn conclusie is dat de enige manier om de Amerikaanse democratie te handhaven, ligt in het ophef maken over haar tekortkomingen.

Het unieke van dit boek ligt niet zozeer in de gebeurtenissen, die Reston overigens in uitmuntende stijl beschrijft. Nee, het unieke ligt in de kenschetsen van de mensen, die hij van nabij heeft gekend. Het zijn stuk voor stuk kleine juwelen. De namen worden met een paar paragrafen tot levende wezens.

Dat geldt voor de 10 presidenten, voor de beide Sulzbergers, de uitgevers van de N.Y.Times onder wie hij heeft gediend, voor Dean Acheson, Adlai Stevenson, Henry Kissinger, Lippmann, McCloy, Felix Frankfurter, Jean Monnet en talrijke anderen. Zijn hoofdstuk over de Kennedy's gaat bijvoorbeeld als volgt. ""Ik ontmoette de Kennedy's altijd als ze in moeilijkheden zaten, waarschijnlijk omdat moeilijkheden als een rode draad door hun leven liep. Ze kregen altijd meer krediet dan ze verdienden en meer tegenslagen dan iemand zou kunnen verdragen; ze kregen banen voordat ze daarvoor klaar waren en ze vielen net voordat ze succes konden oogsten. Het is unfair om ten aanzien van hen tot conclusies te komen want ze hadden geen tijd om iets af te maken. Zij betaalden zwaar voor hun triomfen en ze vestigden een legende die langer zal bestaan dan hun geschiedenis.''

Over Kissinger schrijft hij, dat hij anders was dan al zijn voorgangers. Hull ('33-'44) en Stettinius ('44-'45) waren gekozen omdat ze eruit zagen als Secretaries of State, Byrnes ('45-'47) en Baker (vanaf '88) omdat ze handige politici waren; Rusk ('61-'69) en Haig ('81-'82) omdat de president zelf buitenlandse politiek wilde bedrijven. Kissinger ('73-'77), schrijft Reston, wist niet alleen alles van buitenlandse politiek, hij was buitenlandse politiek en tevens een goed historicus.

En Reston is van mening dat weinig zo fataal is geweest als het ontbreken van enig historisch besef bij de meeste presidenten en ministers. Het grote verschil tussen Kissinger en hemzelf wijt Reston aan Kissingers opvatting, dat persoonlijke moraliteit en politieke moraliteit niets met elkaar te maken hebben, iets waarover Reston geheel tegengesteld denkt.

Tot Restons grote helden behoren Dean Acheson en Jean Monnet. Hij vindt Acheson zonder enige concurrentie de grootste naoorlogse Secretary of State (minister van buitenlandse zaken) en hij is niet geïrriteerd maar juist geamuseerd door Achesons arrogantie. ""Hij was niet iemand, aan wie je per vergissing je jas zou afgeven.'' En hij heeft diepe bewondering voor de rol, die Dean Acheson heeft gespeeld in het, onder uitzonderlijk moeilijke omstandigheden, concipiëren van de naoorlogse Amerikaanse buitenlandse politiek.

Reston was in hechte vriendschap verbonden met Monnet. ""Hij kon huilen toen Roosevelt stierf maar zijn emoties stonden zijn werk nooit in de weg. Hij verloor geen tranen aan het verleden maar hij aanvaardde het leven als een reeks obstakels die overwonnen moesten worden. Ik denk aan hem met bewondering en affectie want hij bewees in een cynische eeuw, dat het niet waar is, dat goede mensen altijd het laatst door de finish komen.''

Het lezen van wat Reston beleefde en waarvoor hij stond, geeft het verwarmende gevoel, dat werkelijk aardige mensen, zoals Reston, soms toch aan de top kunnen eindigen.