DE RELIGIEUZE VERDELING VAN NEDERLAND

De Religieuze Kaart van Nederland. Omvang en geografische spreiding van de godsdienstige gezindten vanaf de Reformatie tot heden door Hans Knippenberg XI + 302 blz., geïll., Van Gorcum 1992, f 59,50 ISBN 90 232 2675 5

In Nederland liep, anders dan elders in West- en Midden-Europa, de Reformatie niet uit op religieuze eenvormigheid. Naast de officieel erkende en uit publieke middelen onderhouden gereformeerde kerk ontstonden andere religieuze gemeenschappen, elk met een eigen organisatie en aanhang: katholieken, allerlei soorten doopsgezinden, lutheranen, joden, remonstranten.

Al die kerken en sekten hebben altijd op elkaar gelet en het gevoel gehad met elkaar te concurreren. Aanvankelijk streed men om aanhang, maar hoogstwaarschijnlijk werd overgang naar een ander kerkgenootschap al in de loop van de zeventiende eeuw een tamelijk zeldzame gebeurtenis. Voortaan werd men in Nederland in feite lid van een kerk door geboorte. In ieder geval zijn sinds 1809, het jaar van de eerste volkstelling die gedetailleerde religieuze gegevens heeft, overgangen tussen geloofsgemeenschappen zeldzaam. De trouw van hun leden verminderde overigens de concurrentie tussen de kerken niet. Maar de concurrentie beperkte zich voortaan tot een soort stand ophouden voor de religieuze buren.

De sociale en daarmee ook de geografische stabiliteit van de verschillende religieuze groepen was dus heel groot. Dit gegeven is het onderwerp van De religieuze kaart van Nederland van Hans Knippenberg, De ruggegraat van zijn fascinerende boek wordt gevormd door de gegevens betreffende godsdienst uit de volkstellingen die van 1809 tot 1971 gehouden zijn. Voor de jaren daarna gebruikt hij gegevens uit steekproeven en opgaven van kerkelijke administraties. De getalsmatige en geografische ontwikkeling van vrijwel iedere iets grotere georganiseerde religieuze groep is gevolgd en in grafieken, kaartjes en tabellen voorgesteld. De Vrij-Katholieke Kerk, die in 1960 met 1894 aanhangers haar grootste omvang bereikte, vormt de kleinste door Knippenberg beschreven groepering.

De begeleidende tekst biedt nauwkeurige, feitelijke informatie over de geschiedenis van de verschillende behandelde kerkgenootschappen en verklaringen van de beschreven ontwikkelingen, voor zover die op demografisch of sociaal-geografisch terrein liggen. Zo legt Knippenberg bijvoorbeeld uit dat de lichte daling van het aandeel van de katholieken in de Nederlandse bevolking gedurende de negentiende eeuw, van zo'n 38% naar 35%, een gevolg was van de demografie van Noord-Brabant en Limburg. Daar heerste toen een malthusiaans regime met late huwelijken en een hoog percentage ongehuwden, waardoor het geboortecijfer achterbleef bij de rest van het land. De groei van de doopsgezinden in Drenthe en Noord-Brabant na 1960 is het gevolg van de migratiebewegingen binnen Nederland, die toen juist deze provincies begunstigden.

FUNDAMENTELE VERDELING

Juist de zorgvuldige beschrijving van alle veranderingen in de religieuze geografie van de afgelopen twee eeuwen doet de wezenlijke stabiliteit daarvan goed uitkomen. De meest fundamentele verdeling is die tussen rooms-katholieke en protestantse gebieden. Schuin door het land, van Zeeland door het rivierengebied over de Veluwe en de kop van Overijssel naar de drie noordelijke provincies loopt een aaneengesloten gebied dat vrijwel homogeen protestant is. Ten zuiden en ten oosten van deze strook, beneden de grote rivieren en in Twente, is de bevolking vrijwel homogeen katholiek. Ten noorden en ten westen ervan zijn Utrecht en grote delen van Noord- en Zuid-Holland religieus gemengd.

Deze verdeling tussen protestantse, katholieke en gemengde gebieden is bijna zo oud als het zelfstandig bestaan van Nederland. Ze gaat terug op de omvang die de Republiek in de eerste twee generaties van de Opstand bereikt had. Het religieus gemengde gebied vormde de veilig gestelde kern van de jonge Republiek. De protestantenband markeert het front ten tijde van het Twaalfjarig Bestand, aan het begin van de zeventiende eeuw. De gebieden die de Republiek na afloop van het Bestand veroverde zijn katholiek gebleven. Ondanks alle economische en sociale veranderingen van de afgelopen decennia is deze inmiddels bijna vier eeuwen oude verdeling nog steeds zeer herkenbaar.

BIBLE BELT

Een tweede structuur, de verdeling tussen vrijzinnige en rechtzinnige protestante gebieden, blijkt van het eind van de negentiende tot ver in de twintigste eeuw geografisch stabiel te zijn. Het noorden is licht. Daar, in Friesland, in Groningen en in Noord-Holland boven het IJ, vond het vrijzinnig protestantisme zijn aanhang, is het socialisme sterk, de ontkerkelijking hoog, de deelname aan nieuwe protestantse sekten groot.

Een Nederlandse Bible Belt wordt daarentegen gevormd door een gebied dat loopt van Tholen en Goeree-Overflakkee over de Hollandse waarden, Utrecht, en de Veluwe naar de kop van Overijssel en de zuidrand van Friesland. Daar hebben de zwaardere stromingen binnen de Hervormde Kerk en de verschillende orthodox-protestantse groepen daarbuiten (de "zwarte-kousen-kerken') hun grootste aanhang.

Knippenberg heeft dit gebied nauwkeuriger dan ooit tevoren beschreven, door de uit de volkstellingen bekende gegevens aangaande de orthodox-protestantse kerken aan te vullen met de uitkomsten van een eigen, elegant onderzoek naar de kleur van alle predikantsplaatsen van de Nederlandse Hervormde Kerk.

Er is veel gespeculeerd over de herkomst van dit onderscheid tussen lichte en zware gebieden. Vaak neemt men ook hier een eeuwenoude geschiedenis aan. De verschillen in lokale mentaliteit zouden teruggaan op verschillende, middeleeuwse en vroeg-moderne vormen van heerschappij of stijlen van machtsuitoefening. In de middeleeuwen had de vrije Fries geen heren boven zich en daarom zou hij in de moderne tijd vrijzinnig of onkerkelijk zijn. Anderen hebben de verschillen teruggevoerd op grondsoorten, bodemgebruik en andere natuurlijke gesteldheden. Ze zouden de eeuwenlang telkens doorbrekende dijken in het rivierengebied daar een tobberig soort orthodoxie hebben doen ontstaan, die de mens het vermogen ontzegde om zijn lot te verbeteren.

Knippenberg is hier terecht zeer terughoudend. Het is niet zeker of er wel iets is dat verklaring behoeft. Organisaties op basis van theologische stromingen bestaan binnen de Hervormde Kerk pas sinds de tweede helft van de vorige eeuw. Het zijn deze organisaties die Knippenbergs onderzoek naar de hervormde bijdrage aan de Bible Belt mogelijk maakten. Uit eigen onderzoek weet ik dat uit de carrières van predikanten vóór 1850 helemaal niets, en vóór 1875 maar heel weinig blijkt van het in de twintigste eeuw zo stabiele onderscheid tussen orthodoxe en vrijzinnige gebieden. Gegevens die het bestaan van dit onderscheid vóór 1850 wel aantonen ontbreken vooralsnog.

INDUSTRIALISERING

De grens tussen licht en zwaar valt niet samen met de scheidslijn tussen katholiek en protestant. In het confessioneel gemengde Utrecht zijn de protestanten overwegend orthodox. In het evenzeer gemengde Noord-Holland zijn ze juist in meerderheid vrijzinnig, terwijl die in het even protestantse rivierengebied orthodox zijn. Er is geen reden om een samenhang tussen beide verdelingen aan te nemen. De scheiding tussen katholieke en protestantse gebieden is bijna vier eeuwen oud, maar misschien ontstonden de verschillen tussen lichte en zware gebieden pas door de negentiende-eeuwse kerkelijke strijd tussen vrijzinnigheid en orthodoxie.

Wellicht - maar dit is het soort speculatie waar Knippenberg zich niet aan bezondigt - kan een argument voor deze gedachte ook ontleend worden aan de recente vermindering van het belang van het onderscheid tussen lichte en zware gebieden. Van 1880 tot 1970 lagen de zwaartepunten van de ontkerkelijking in Friesland, Groningen en de Zaanstreek. Ook in de grote steden in het westen groeide, met de toenemende industrialisering, de ontkerkelijking, maar in steden in de Bible Belt zoals Dordrecht en Sliedrecht, bleef ze lager dan in de noordelijke plattelandsgebieden. Sinds 1970 echter neemt bij de ontkerkelijking het belang van het onderscheid tussen lichte en zware gebieden af en wordt in heel Nederland de tegenstelling tussen stad en platteland overheersend.

Dat is een belangrijk gegeven, omdat vanaf dat jaar de gereformeerden en de katholieken voor het eerst hun aandeel in de Nederlandse bevolking zagen dalen. Deze kerken hebben hun moderne identiteit in de tweede helft van de vorige eeuw ontwikkeld. Hun achteruitgang is één van de belangrijkste aanwijzingen dat de afgelopen twintig jaar de plaats van godsdienst en kerken in de Nederlandse samenleving, die sinds het laatste kwart van de vorige eeuw tamelijk constant was, weer is begonnen te verschuiven. Maar als rond 1970 ook het belang van de Bible-belt afneemt, zou die dan niet net als de gereformeerden en de katholieken pas in de tweede helft van de negentiende eeuw zijn karakter verworven hebben?

VERDWENEN

Tegen de achtergrond van de tot voor twintig jaar zo stabiele verdelingen tussen katholiek en protestant, en tussen orthodox en vrijzinnig, komen de veranderingen in de afgelopen anderhalve eeuw goed uit. De belangrijkste is ongetwijfeld de teloorgang van de Hervormde Kerk, de voortzetting van de publieke kerk van de Republiek. Rond 1880 rekende deze kerk nog zo'n 55% van de bevolking tot haar leden. In de recentste grote opiniepeiling, die van 1986, is dat aandeel gedaald tot onder de 13%. En het einde van de daling is nog niet in zicht. In dat jaar was van de bevolking jonger dan vijfendertig nog geen 3,5% actief bij de Hervormde Kerk betrokken.

Naast katholieken en hervormden heeft Nederland altijd ook andere religieuze groepen geteld. Het was het zo zichtbare bestaan van doopsgezinden, remonstranten, lutheranen en joden, dat de Republiek binnen het vroeg-moderne Europa zo'n vreemd gezicht gaf en Nederland de roep van tolerantie heeft bezorgd. Deze oudere dissidente religieuze organisaties - in 1809 samen nog goed voor zo'n 6% van de bevolking - zijn vrijwel verdwenen.

De joodse gemeenschap is bijna vernietigd in de oorlog. De protestantse groepen verdwenen door ontkerkelijking. De remonstranten en de doopsgezinden hebben de afgelopen tien jaar meer dan een kwart van hun aanhang verloren, de lutheranen niet veel minder. Hun leden hebben het in de Nederlandse samenleving niet slecht gedaan en wonen overwegend in de betere suburbane gemeenten. Daar slaat de ontkerkelijking de laatste twintig jaar het hardst toe. Samen maken deze groepen, die niet alleen door hun aanwezigheid, maar ook door hun bijdrage voor de culturele ontwikkeling voor Nederland ongemeen belangrijk zijn geweest, nog geen half procent van de bevolking meer uit. Een vrijwel onbekende religieuze groep als de Apostolische Kerken, aan het eind van de vorige eeuw uit Duitsland geïmporteerd, heeft tegenwoordig meer leden dan de doopsgezinden, remonstranten en lutheranen samen.

Die Apostolische Kerken staan niet alleen. In de negentiende en twintigste eeuw komen, voor het eerst sinds de eeuw van de Reformatie, religieuze groepen op die groeien door te recruteren onder de leden van andere, oudere kerken. Zij vormen de uitzondering op het verder zo stabiele patroon van religieus toebehoren op grond van geboorte. Samen, van Gereformeerde Kerken in Nederland via Leger des Heils tot oud-gereformeerde gemeenten vormen zij nu, na anderhalve eeuw, zo'n 9% van de bevolking. Het betreft groepen die zich aan de rechterzijde afsplitsten van de Hervormde Kerk, en geïmporteerde missionaire bewegingen. Beide soorten nieuwe kerken recruteerden vooral onder protestanten. Soms bezit zo'n nieuwe kerk een bijzonder geografisch karakter. De baptisten hebben bijvoorbeeld nog steeds een zwaartepunt in het zuidoosten van Drenthe en het aangrenzende deel van Groningen, rond de oude centra Gasselternijeveen en Stadskanaal, van waaruit in de vorige eeuw evangelisatiewerk onder de veenarbeiders werd verricht.

RELIGIEUS ONDERNEMERSCHAP

De gedetailleerde gegevens die Knippenberg verschaft suggereren ook één van de mechanismen waardoor deze nieuwe groepen konden groeien. Voor succesvolle recrutering onder andere religieuze groepen lijkt ongeorganiseerdheid een voordeel te zijn. De eerste grote afsplitsing van de Hervormde Kerk, de groepen die voortkwamen uit de Afscheiding van 1834, groeide de eerste halve eeuw van haar bestaan fenomenaal, met, in de beste jaren, groeicijfers van 6%. Toen de afgescheidenen samengingen met Kuypers dolerenden en uitstekend georganiseerd werden in de Gereformeerde Kerken hield de groei op. Voortaan beperkt de aanwas zich tot de eigen kinderen. De verschillende soorten Gereformeerde Gemeenten, extreem-orthodoxe protestantse groepen die zich middels eindeloos onderling gekibbel lange tijd aan de meeste vormen van centrale organisatie onttrokken, bleven tot 1947 hun aandeel in de Nederlandse bevolking vergroten.

Bij de Pinkstergemeenten, die op het ogenblik een enorme groei doormaken, is dit mechanisme zeer aanschouwelijk. Zowel in de jaren zeventig als in de jaren tachtig slaagden zij er in hun ledental te verdubbelen. Organisatorisch zijn zij bijna volledig versplinterd, zoals dat bij groepen die alles gooien op geestesgaven ook te verwachten is. De 70.000 leden zijn verdeeld over zo'n 500 gemeenten. Van die gemeenten is meer dan de helft niet in enig groter verband opgenomen. Het grootste verband (dat van de Volle Evangelie Gemeenten) telt slechts 45 gemeenten met samen 8400 leden.

Verklaringen voor dit verband tussen zwakke organisatie en forse groei moeten waarschijnlijk gezocht worden in de eigenaardige positie van een voorganger in een dergelijke groep, die per definitie geen aanzien of erkenning kan ontlenen aan zijn positie in een bovenlokale organisatie. Hij dient zich louter te richten op het vervullen van de wensen van zijn aanhang. Zo worden de voorwaarden voor een religieus ondernemerschap geschapen, dat buitengewone krachten kan ontplooien.

Knippenbergs boek zal ongetwijfeld, dankzij zijn nauwkeurigheid en de rijkdom van de gepresenteerde gegevens een veel geraadpleegd naslagwerk worden. Een nog grotere verdienste is dat het boek door zijn helderheid tal van vragen oproept en zo verder onderzoek stimuleert.