De helden van de perestrojka zijn machteloos

Wat waren die laatste jaren van de perestrojka toch aangenaam. En wat waren er een hoop helden. Zoals Edoeard Sjevardnadze. Die had het allemaal veel beter door dan wie dan ook. Hoe vaak voorspelde hij niet de dictatuur der die-hards? Hoe terecht leek niet zijn kritiek op kameraad Gorbatsjov die, heel anders dan hij, wel met zich liet sollen? En hoe groot was zijn gelijk uiteindelijk niet, toen deze haviken vorig jaar inderdaad probeerden het tij in hun voordeel te doen keren?

Of wat te denken van Levon Ter-Petrosjan? Het talenwonder, de integere-intellectueel en, samen met zijn Litouwse collega Landsbergis, de enige niet-communist op een machtspositie in de voormalige Sovjet-Unie, een man die alleen al daarom consequent in de mangel werd genomen door een orthodox communistisch-islamitische coalitie die uit Moskou en Azerbajdzjan wilden voorkomen dat de christelijke enclave Nagorny Karabach een eigen weg zou gaan. De halve Westerse wereld stond aan hun zijde. Goed was immers goed.

En nu? Nu beleven zij, die altijd de "vreedzame oplossingen' voorstonden, hun eigen Pyrrus-overwinninkjes en is het wachten op hun Waterloo.

Voor Sjevardnadze is dat het meest dramatisch. Dit voorjaar ging hij, de man die meer dan honderd miljoen Oost-Europeanen aan zichzelf teruggaf, als een verloren zoon huiswaarts: naar Georgië om daar als interim-president zijn nog geen vijfenhalf miljoen vaderlanders uit een burgeroorlog te redden en de beschaafde wereld binnen te leiden. Ex-minister van buitenlandse zaken Hans-Dietrich Genscher van de Bondsrepubliek was een der eersten om hem daarbij in Tblisi te helpen.

Maar de oorlog met de Zuid-Osseten gaat gewoon door. Een jaar geleden was daarbij van Georgische zijde het argument dat het helaas niet anders kon omdat we in Zuid-Ossetië nu eenmaal te maken hadden met onverbeterlijke communisten die zich door de "reactionaire krachten' in Moskou lieten sturen. De Stalinlaan heette er in de hoofdstad Tschinvali niet voor niets nog steeds Stalinlaan. Nu, met Jeltsin in het Kremlin, is dat argument niet meer zo sterk. Er vallen desondanks meer doden dan ooit. Bijna elke nacht sneuvelen er in Tschinvali drie keer zoveel mensen als in die befaamde nacht van 20 op 21 augustus 1991 in Moskou. Mijn kennis Andrej, die met een Osseetse vrouw is getrouwd, heeft zo al vijf familieleden verloren. En - politiek gezien belangrijker - de agressie komt steeds vaker van één kant: van Georgische zijde. Met mortiervuur wordt Tschinvali tegenwoordig van bovenaf gebombardeerd. Een beetje adequate defensie is niet meer mogelijk nu de Sovjettroepen, tegenwoordig onder bevel van Jeltsin, zich afzijdig houden.

En Sjevardnadze? Hij spreekt nog steeds verstandige woorden maar staat machteloos. Vorige maand bijvoorbeeld wilde hij op een dag blijk geven van zijn goede bedoelingen en reed naar Tschinvali voor een verzoenend gebaar. Hij had zich nog niet omgekeerd of de Georgische gardisten openden het vuur op de Osseten.

Maar Sjevardnadze is toch voorzitter van de "staatsraad' die de republiek regeert? Ja, dat is hij nog steeds. Maar als het erop aan komt lacht commandant Tengis Kitovani van de nationale garde, de man die de democratisch gekozen maar bovenal paranoïde president Zviad Gamsachoerdia vorig jaar uit Georgië wist te verdrijven, hem gewoon midden in zijn gezicht uit. Publieklijk belijdt ook Kitovani natuurlijk de eenheid van de staatsraad, die alleen binnenskamers rollend over het parket gaat, maar zijn innerlijke ambitie is een andere: de warlord van Georgië worden.

De teloorgang van Levon Ter-Petrosjan is mogelijk nog paradoxaler. De Armeense president begon zijn politieke loopbaan jaren geleden als beschermer van de christelijke minderheid in Nagorny Karabach. Daar was alle aanleiding toe. De wijze waarop de Armeniërs in het merendeels islamitische Azerbajdzjan werden bejegend, sprak immers boekdelen. Het pogrom in Soemgait (winter 1988) hoefde dus niet nader uitgelegd te worden. De beslissing van Azerbajdzjan om de oliekraan naar Armenië dicht te draaien, bevestigde het beeld vervolgens verder. De Armeense represailles tezelfdertijd in het Azerische dorp Kafan konden derhalve nog een beetje weggemoffeld worden. De christelijke troepen in Nagorny Karabach waren niet meer dan "zelfverdedigingseenheden'. De Armeense regering in Jerevan had geen andere opdracht dan haar landgenoten in de door Azerbajdzjan omsloten enclave te steunen in hun streven naar autonomie. Dat paste keurig in de akkoorden van Helsinki, nietwaar?

Kortom, Ter-Petrosjan had allerminst te klagen over gebrek aan begrip in de Westerse wereld. Voor Jelena Bonner, de weduwe van Andrej Sacharov, was de Armeense kwestie bijna dé maat aller dingen. De regering van Frankrijk, een land waar een grote groep Armeniërs in de "diaspora' leeft, ging zich er nadrukkelijk mee bemoeien. Zelfs Turkije en Iran, de mogendheden die toch etnische en religieuze banden met de Azeri's hebben, waren indertijd nog huiverig om hun handen aan de andere zijde te branden.

Dat ging lang goed. Totdat er dit voorjaar in Jerevan ineens andere, expansievere, aspiraties manifest werden. Het gaat Armenië nu niet meer om de bescherming van de christenen in Nagorny Karabach, territoriale grenscorrecties zijn thans het heimelijk parool. Net als Sjevardnadze weet ook Ter-Petrosjan van niets. Ook hij zegt niet te streven naar verandering van de staatkundige status-quo, het zijn slechts zijn landgenoten in Karabach die dat willen.

Maar wij weten inmiddels wel dat Armeense "zelfverdedigingseenheden' in de enclave vorige maand tot de aanval overgingen. In een poging om de smalle strook bij het Azerbajdzjaanse dorpje Latsjin, dat Armenië van Nagorny Karabach scheidt, als een logistieke corridor op Bakoe te veroveren, werden zelfs Azerische regio's aangevallen en ingenomen. En we weten eveneens dat Jerevan, hoewel het de verantwoordelijkheid voor deze offensieve wending nog steeds ontkent, nu het eenmaal zover is niet bereid is Latsjin weer op te geven. De nu geslagen brug tussen Armenië en Naorny Karabach is namelijk van essentiële betekenis voor de steun die de Armeniërs wel aan de omsingelde Karabachers moeten geven, is het argument. Maar de zoete smaak van het militaire succes is waarschijnlijk evenzeer een motief. Het consequente zwijgen van Ter-Petrosjan wijst in ieder geval niet in een andere richting.

Is dat machteloosheid of hypocrisie? Beide. Zowel Levon Per-Petrosjan als Edoeard Sjevardnadze hebben te maken met een realiteit die veel weerbarstiger is dan de democraten van vorig jaar voor mogelijk hadden kunnen houden. Toen was het idee nog dat de etnische conflicten vooral het resultaat waren van zeventig jaar communisme. Als de oude garde eenmaal verslagen was en niet meer in staat zou zijn om her en der te wroeten, zou de weg vrij zijn voor de civiele krachten.

Die redenering wordt op gezette tijden nog steeds opgehangen. “Na zeventig jaar totalitair bestuur...”, het blijft een zin waarmee veel hedendaags ongerief moet worden verklaard. Het is uiteraard ook geen onzin. Al was het maar omdat het Sovjet-systeem niet louter en alleen een buitenaards produkt van Mars of Trier is geweest, maar ook zo z'n wortels in het Russische imperiale denken heeft gehad. Menig voormalig Sovjet-burger is de eerste om dat toe te geven, althans eerder dan veel Westerse bondgenoten in de strijd voor vrijheid en democratie. Zelfs oude helden als Sjevardnadze en Ter-Petrosjan blijken in de dagelijkse praktijk immers simpele politici die het ene gat met het andere proberen te vullen, hun fraaie theorieën (Mijn keuze, de verdediging van democratie en vrijheid, aldus de titel van Sjevardnadze's kennelijk te vroeg verschenen memoires) ten spijt.

Dat is ontnuchterend maar ook goed. Want uiteindelijk loont het bezweren van de werkelijkheid nooit. De consequentie van dergelijke nuanceringen is echter tevens dat de belangstelling voor dit soort conflicten in ras tempo wegebt. Voor één partij in deze conflicten is er al die jaren niettemin weinig veranderd. De gewone slachtoffers, die honderdduizenden vluchtelingen uit de Kaukasus die nu in wanhoop door het oude rijk trekken op zoek naar beschutting, verliezen met het vallen der sterren dagelijks hun laatste restjes hoop.

Armeense soldaten in Nagorny Karabach. (Foto EPA)