"Beleid voor industrie ontbreekt in Nederland'

DEN HAAG, 13 JUNI. De Nederlandse overheid heeft na het RSV-debâcle begin jaren tachtig geen industriebeleid meer gevoerd. “De Nederlandse politiek heeft zich daarna te veel beziggehouden met verdelingsvraagstukken, te weinig met het creëren van echte waarden.”

Dat zei E.J. Nederkoorn, voorzitter van de raad van bestuur van vliegtuigbouwer Fokker, gisteren tijdens een seminar in Den Haag over de samenwerking tussen politiek, overheid en bedrijfsleven. De Fokker-voorzitter stelde daar dat de overheid “sinds RSV” geen enkel risico meer durft te nemen. “Het accent ligt te veel op het creëren van gunstige voorwaarden. Er moet meer gebeuren, willen we in Nederland een zelfscheppende industrie in stand houden.”

De parlementaire enquête die indertijd werd gehouden naar de ondergang van het Rijn-Schelde-Verolme-concern (RSV), en onder meer de rol van Economische Zaken daarbij, leidde in 1984 tot een vernietigende conclusie over de overheidsbemoeienis. “Met een overgave die aan de speeltafel niet zou hebben misstaan, werden in korte tijd honderden miljoenen aan defensiegeld aan RSV toevertrouwd.”

Volgens de Fokker-topman, die geen woord wilde wijden aan de lopende onderhandeling met Deutsche Aerospace, heeft de industrie zich sindsdien “te veel in de hoek laten zetten”. Wat dat betreft kijkt hij met afgunst naar de distributiesector. Haar bijdrage aan het bruto nationaal produkt bedraagt “slechts enkele procenten”, maar onder het motto "Nederland distributieland' voert zij een zeer effectief publicitair offensief, aldus Nederkoorn.

Europarlementariër J.J.M. Penders (CDA) vond dat de bewindslieden op EZ, zijn partijgenoten Andriessen en Van Rooy “te gemakkelijk” alle aandacht richten op het scheppen van een gunstige randvoorwaarden voor de industrie. “Echte keuzes worden daardoor niet gemaakt. En dat zou wel moeten. Concurrerende EG-landen steunen hun industrie wel met honderden miljoenen.”

CDA-fractievoorzitter L.C. Brinkman zei dat de Nederlandse overheid geen geld heeft om het industriebeleid “op de agenda te zetten”. Het wordt volgens hem al een “zware klus” om de doelen te realiseren die het kabinet zich heeft gesteld op het gebied van collectieve lastendruk, financieringstekort en arbeidsparticipatie.

Nederkoorn verweerde zich fel tegen een opmerking uit het publiek dat Fokker te groot is voor Nederland. “Nederland is eigenlijk te klein voor Fokker”, riposteerde de vliegtuigbouwer, en daarom zou de overheid duidelijke keuzes moeten maken. Het gaat volgens hem niet “om de grote scheppen geld”, maar om een effectieve bundeling van de krachten.

Ook Brinkman riep op tot samenwerking, in navolging van Andriessen. De minister hield in zijn onlangs naar de Kamer gestuurde vervolg-rapportage van de in 1990 verschenen nota "Economie met open grenzen' een fel pleidooi voor strategische allianties. Veel ondernemingen kunnen zich immers niet permitteren geheel zelfstandig een nieuw markt te betreden of een nieuw produkt te ontwikkelen.

Nederkoorn verweet de overheid Fokker “in de aanbieding” te hebben gedaan, toen het kabinet de vliegtuigbouwer in 1987 opdracht gaf een partner te zoeken om mee samen te werken. Voor grote investeringsprojecten zou geen geld meer zijn. Volgens Nederkoorn hoefden potentiële fusiekandidaten alleen nog maar af te wachten; ze wisten met welke opdracht Fokker met hen ging praten. “Dat versterkt nou niet bepaald je onderhandelingspositie”, aldus Nederkoorn.