BELANGRIJKER DAN LEVEN OF DOOD

The Faber Book of Soccer onder redactie van Ian Hamilton 336 blz., Faber and Faber 1992, f 60,85 ISBN 0 571 14402 0

Waarom is mijn liefde bekoeld? Waarom voel ik nog slechts pijnlijke berusting en vaag verlangen? Wat is er toch misgegaan sinds mijn allereerste kennismaking met het voetbal op het veld van Velox in Utrecht, dertig jaar geleden?

We stonden achter de goal waarin een dikke man met een geruite pet raadselachtige reddingen verrichtte. Voor ons stond een rolstoel waar ik nauwelijks overheen kon kijken. In de rolstoel zat een man met een doorploegd hoofd en een schoot vol lege flessen. ""Hup Roje Kool, hup Roje Kool!'' riep hij drie kwartier lang zonder ophouden tegen de wereld in het algemeen. Het was bedoeld als aansporing van tegenstander Roda JC, maar Velox won met 5-1 en mijn hart was verpand.

Maar op de een of andere wijze is de bekoring sinds 1988 versleten. Het Nederlands elftal werd toen na een matig gespeeld toernooi Europees Kampioen (de wedstrijd tegen Duitsland was een uitzondering). De natie stortte zich in manisch feestgedruis. De boventoon daarbij was brallerig, ballerig en balorig. Het voetbal was blijkbaar verworden tot zo maar een aanleiding om uit je bol te gaan, een willekeurig excuus om een fuif te bouwen. Voetbal bleek neergehaald tot iets leuks.

Het is daarom mischien ook niet toevallig dat het in Nederland maar nauwelijks lukt om goed en serieus over voetbal te schrijven. Dan bedoel ik niet de verslagen en commentaren in de krant, maar meer duurzaam proza. Natuurlijk, er zijn bundeltjes met aardige stukjes, er zijn gekscherende cultuurhistorische cursiefjes, er zijn snaakse voetbalgedichten, er zijn de op bestelling geschreven biografietjes (maar zelfs die over Johan Cruijff en Ruud Gullit zijn terecht snel vergeten), er is een enkele grappige poging tot literatuur, maar ook het onlangs bekroonde De weg naar oude god van Philip Markus beklijft nauwelijks. De situatie is, kortom, opmerkelijk: hoewel het voetbal nu al verscheidene generaties lang een belangrijker invloed op Neerlands geestesmerk schijnt dan het calvinisme, is daarvan nauwelijks een blijvende geschreven neerslag.

In Groot-Brittannië wordt wel geklaagd dat de toestand daar niet veel beter is. Maar vergeleken met Nederland baadt men er in weelde. Naast alle pulp is er een constante oogst van goede boeken over voetbal, waaronder met regelmaat serieuze biografieën van spelers, en is er zelfs een interessante underground-pers in de vorm van de meestal clubgebonden fanzines die wekelijks in een totale oplage van meer dan een miljoen exemplaren verschijnen. In Groot-Brittannië wordt schrijven over voetbal dan ook opgevat als een bezigheid die met hartstocht en ernst bedreven dient te worden. En dat is geen wonder in een land dat het Sir Norman Chester Centre for Football Research huisvest; hetzelfde land waar de legendarische manager van FC Liverpool Bill Shankley zonder met zijn ogen te knipperen kon zeggen: ""Voor sommige mensen is voetbal een kwestie van leven of dood. Ik ben het daar niet mee eens. Voetbal is veel belangrijker dan dat.''

MACHTELOZE JALOEZIE

Onlangs verscheen The Faber Book of Soccer, een bloemlezing van duurzame stukken over voetbal, verzameld door Ian Hamilton, voormalig redacteur van Times Literary Supplement, hoofdredacteur van The (New) Review, dichter, criticus, biograaf - van Robert Lowell en J. D. Salinger - en supporter van Tottenham Hotspurs. Deze anthologie is meer dan zo maar een verzameling, het is bedoeld als een monument van voetbal-proza. En met bijdragen van schrijvers, filosofen en journalisten als Albert Camus, Vladimir Nabokov, A. J. Ayer, Hans Keller, George Orwell, Harold Pinter, Martin Amis, Bill Buford, Karl Miller, Hunter Davies, Barry Norman en de weergaloze voetbalcommentator van The Observer Hugh McIlvanney, is dat moeiteloos gelukt. Het zijn meest journalistieke stukken over het Britse voetbal, die weliswaar de periode vanaf 1860 tot 1990 bestrijken, maar toch onmiskenbaar de laatste decennia van deze eeuw als zwaartepunt hebben.

Zo is er een serene herinnering aan de vliegramp in 1958 waarbij zowat het hele wonderelftal van Manchester United om het leven kwam. Het is geschreven door Geoffrey Green, de befaamde sportverslaggever van The Times die eigenlijk aan boord van het vliegtuig had moeten zitten. Er is een artikel uit The Observer over de legendarische finale van het Wereldkampioenschap 1966 tussen Engeland en West-Duitsland dat uit zijn voegen barst van ingehouden chauvinisme (""God was an Englishman after all''), maar de wedstrijd met zeldzame scherpte weer in herinnering roept. Er is een prachtig kort signalement van het debuut van de Schotse voetballer Dennis Law (die keiharde kruising tussen Danny Kay en de rock 'n' roll zanger Tommy Steele), waarin de schrijver zich oprecht zorgen blijkt te maken over de moderne zeden van de kersverse international: ""He favours the clothes liked by those youths who bounce to the modern dance rythms!''. Er is een misschien net iets te literaire passage over een bloedige raid van hooligans in Turijn uit Bufords Tussen het tuig. Er is een opzienbarend interview met Chris Waddle en John Barnes tijdens het Wereldkampioenschap van 1990, dat vol staat met vernietigende kritiek op de taktiek van bondscoach Bobby Robson (""Hij denkt Engels, Engels, Engels, dus verder dan 4-4-2 komt hij niet. But this is the world out here!''). En er is meer, veel meer.

Ik moet bekennen dat ik het boek in één ruk heb uitgelezen, niet omdat alle stukken even boeiend zijn, maar omdat de vele goede artikelen zo prachtig geschreven zijn dat je bevangen door een gevoel van machteloze jaloezie gekluisterd blijft aan de bladzijden. Het boek is geenszins definitief; er is door Hamilton schaamteloos heel veel opgenomen over de Spurs en vrij weinig over bijvoorbeeld Liverpool, er is geen enkele aandacht voor de typische negentiende-eeuwse Engelse stadions, waar het voetbal toch geworteld is. Maar na eerdere bloemlezingen als The Footballer's Companion uit 1962 en The Footballer's Fireside Book uit 1963 is The Faber Book of Soccer eenvoudigweg onmisbaar voor de liefhebber.

IN HUILEN UITGEBARSTEN

Hoewel het boek louter Britse spelers, clubs, trainers, supporters, en voetbaldramatiek behandelt, ademt het toch een atmosfeer van passie, onverbloemde heldenverering, kritische analyse en nostalgische melancholie over de vergankelijkheid van het spel, die volstrekt niet aan plaats en tijd gebonden is. Toegegeven, het helpt als je weet wie Sir Stanley Matthews ("the wizard of dribble') is, als je ooit George Best (""ice in his veins, warmth in his heart, ballet in his feet'') hebt zien spelen, als je je kunt herinneren wie Danny Blanchflower is (de Noord-Ierse sterspeler die ook nog schreef voor de New Statesman en niet te beroerd was de filosoof Ayer in het openbaar tegen te spreken). Maar strikt nodig is het niet, want in feite zijn ze in deze verzameling ontstegen aan hun reële existentie en geworden tot archetypen van voetbalhelden, modellen waar de verloren jongensdromen op kunnen worden geprojecteerd.

Opvallend veel bijdragen zijn trouwens rechtstreeks afkomstig uit Britse kwaliteitsbladen, zoals The Times, The Observer, New statesman, The Listener, die niet bang zijn voor wedstrijdverslagen of spelersportretten in de vorm van literaire essays. Zoals het majestueuze stuk van dichter en criticus Hans Keller (niet te verwarren met zijn Nederlandse naamgenoot) uit The Listener over het Braziliaanse elftal tijdens het Wereldkampioenschap van 1970. Hij buigt zich over de vraag waarom de jonge Gerson plotseling in huilen uitbarstte nadat Pele op zijn voorzet had kunnen scoren. Hij moet zijn overmand, suggereert Keller, door het mystieke gevoel eigenhandig de held uit zijn jeugd te hebben gered van de groeiende kritiek.

Maar het was de oude Pele zelf die de kritikasters definitief de mond snoerde met zijn verbijsterende boogbal vanaf de middellijn uit stand geschoten over de keeper van Tsjechoslowakije heen. De bal ging net een meter naast, maar volgens Keller betrof het hier niet minder dan ""a moment of epithomized truth'': ""Hier was alles: gedurfde behendigheid, zinderende intelligentie, en die grootste van de menselijke eigenschappen - want hier was een nieuwe idee dat opborrelde uit iemands eigen ontdekking van gewijzigde omstandigheden, een idee dat dwong op de meest drastische manier alle geaccepteerde conventies, taktieken, en ingestudeerde bewegingen los te laten.''

Vrij wat fragmenten zijn natuurlijk ook geplukt uit klassieke voetbalboeken, zoals The Glory Game uit 1972 van Hunter Davies en Only a Game? The Diary of a professional Footballer van Eamon Dunphy uit 1976.

Davies mocht indertijd een geheel seizoen lang alle ins en outs, ups en downs van het eerste elftal van Tottenham Hotspurs vastleggen. Zijn openhartig en demasquerend verslag over het dagelijks bestaan van een profclub is vooralsnog enig in zijn soort. In deze bloemlezing is een passage opgenomen die de trip naar Frankrijk van de Spurs beschrijft, inclusief de verveling, de baldadigheid, de langzaam groeiende spanning in de kleedkamer (""One minute to go,'' said the manager. Nobody spoke. It was now like a death cell.), de teleurstellende Europacup-wedstrijd zelf (tegen Nantes), en de onderlinge frustraties nadien.

Davies, de Sunday Times journalist die al eerder beroemd werd door zijn biografie The Beatles, heeft het opgeschreven zonder pathos en zonder bijvoegelijke naamwoorden. Daardoor maakt zijn stuk een zeer overtuigende en voor iedereen die wel eens op reis is geweest met een voetbalteam ook zeer herkenbare indruk.

KLEUNEN, SCHAVEN

Eamon Dunphy is de eerste en de enige professionele speler die een nauwkeurig, zeer persoonlijk en al even onthullend dagboek publiceerde over zijn carrière. Hij was een technisch begaafde middenvelder van de tweede divisie-club Millwall. Maar een technisch begaafde middenvelder te zijn in de Engelse tweede divisie is a thing to be. Nog veel meer dan in de hoogste klasse is voetbal hier veredeld rugby: het is kleunen, schaven, uitdelen en incasseren, veel incasseren, meest tackles op ooghoogte (""Dit is een van de belangrijkste aspecten van het spel op dit moment - het idee dat je als voetballer moet lijden'').

De fijnbesnaarde Dunphy was hier niet geheel op zijn plaats. In zijn dagboek beschrijft hij hoe hij tijdens een mindere periode van zijn team plotseling en zonder een woord van uitleg tot reserve wordt gedegradeerd. Zijn wereld stortte in. ""Ik kon minutenlang niet denken. En de trainer stond daar alsof er niets gebeurd was. Niemand zei iets tegen me. Ik moest vechten tegen de tranen. Een vingerknip en je bent er geweest. Eruit. Alle overgave, alle inzet voor niets. Alles verloren. Daarna kwam er een vreemd gevoel van opluchting: "Sod it, I'm out of it.' ''

Dunphy was veroordeeld tot het volgen van de wedstrijden vanaf de tribune. Daar moest hij worstelen met heftig tegenstrijdige gevoelens. In het diepst van zijn ziel wil de reserve immers dat zijn eigen team verliest, want dat verhoogt zijn kansen voor een basisplaats, maar zijn natuurlijke loyaliteit verhindert hem te juichen als de tegenstander scoort. Nergens anders is dit existentiële conflict zo scherp en eerlijk onder woorden gebracht als in Only a game?: ""Je gaat de kleedkamer binnen, en je glimlacht en je zegt "veel succes, jongens'. Maar wat betekent dat? Je speelt het. Na de wedstrijd heeft iedereen de pest in. Jij niet. Jij bent blij met de nederlaag. Je trekt een treurig gezicht, maar iedereen weet dat je toneel speelt.''

Andere hoogtepunten in The Faber Book of Soccer zijn het commentaar uit The London Review of Books van Karl Miller op het Wereldkampioenschap 1990 en speciaal over Gazzamania, de publieke furore rond Paul Cascoigne (""a dog of war with the face of a child''), en het verslag van Martin Amis over een reis vol kleine rampen van Watford FC onder leiding van eigenaar/popster Elton John naar China (""I wanna go home,'' zong het elftal, ""I wanna go home. This is the worst trip I've ever been on''. Ondertussen kocht Elton John in een winkel souvenirs ter waarde van veertig keer het maandinkomen van het voltallige personeel'').

MOEDER

Leerzaam is het boek bovendien. Zo wist ik niet dat Bobby Charlton in zijn jeugd nog getraind werd door zijn moeder, omdat zij vond dat haar jonge spruit nooit het Engelse nationale elftal zou halen als hij niet goed kon sprinten. Hoezeer had zij niet gelijk in die schrale dagen van de winter van 1952, toen zij gekleed in een bloemetjesduster haar vijftienjarige zoon met schrille stem vanuit het keukenraam verordonneerde het plantsoentje op en neer te blijven rennen. Misschien dat hier die biologerende Wammes Waggel-loop ontstond van de speler die volgens schrijver Arthur Hopcraft ""the best body swerve of his generation'' had.

Het zijn juist dit soort details die dit boek zijn overrompelende charme geven. De kaleidoscopische som der delen van deze bloemlezing tilt The Faber Book of Soccer uit boven ieder bezwaar dat het hier gaat om fragmenten en passages uit bestaand werk. De meeste hier verzamelde auteurs vatten het schrijven over voetbal zeer serieus en zonder een spoor van ironie op, en dat werkt. Ze weten bovendien waarover ze schrijven, en dat werkt ook. Het Britse voetbal moge primitief (en soms onverteerbaar slecht) zijn, want vooral in de jeugdteams bij schoolvoetbal nog steeds niet ontworsteld aan het rugby, maar dat het spel onlosmakelijk deel van de Britse culturele bagage is, wordt uit dit boek zonneklaar.

Na lezing van The Faber Book of Soccer begrijp ik ook beter waarom mijn relatie met het tegenwoordige Nederlandse voetbal zo bekoeld is. Wat mist is het absoluut vitale element van heroïek en humor. De heroïek van voetballers als George Best en Dennis Law, die als pukkelige pubers hun eerste contractje in de grote stad kregen, de voetbalschoenen van het eerste elftal moesten poetsen, de ballen moesten oppompen, maar bij de eerste de beste gelegenheid hun kans grepen, en in een zinderend stadion de sterren van de hemel speelden. Vijf, acht, tien jaar waren ze onsterfelijk, cultiveerden ze hun vergankelijke en zelden in slow-motion-herhaling vastgelegde kunstgrepen met bal en tegenstander, en dan gleden ze weer weg in de herinnering. Wat overblijft, zijn de plakboeken van hun bewonderaars die hen nooit zullen vergeten.

Misschien is dit de valkuil van de nostalgie, misschien is het oude mannenpraat van iemand die zijn kicksen aan de wilgen heeft gehangen. Misschien ook niet, want in zekere zin is de grootsheid van voetbal vooral iets dat bloeit in de herinnering van iedere generatie opnieuw. Het is zoals Albert Camus, een getalenteerde goalie van het Universiteitsteam van Algiers, ooit schreef: ""Na al die jaren moet ik tot de slotsom komen dat alles wat ik echt blijvend weet over moraliteit en de levenstaken van een man, ik aan voetbal te danken heb.''

Ik geloof wel dat de heroïek nu verdwenen is, of in ieder geval heel andere vormen heeft dan toen ik dertig jaar geleden op dat verwaaide veld in Utrecht als vijfjarig jongetje mijn hart aan het voetbal verloor. Wat er geworden is van de man in de rolstoel die drie kwartier lang "Hup Roje Kool' riep, weet ik niet. Maar ik weet wel hoe het de dikke doelverdediger met de geruite pet verging. Het was, bleek later, de lokaal legendarische Cinus van Kooten, die door een mysterieuze speling van het lot jarenlang mijn trainer zou worden. Ik weet eigenlijk niet of hij veel verstand van voetbal had, maar je kon wel met hem lachen. Hij was een liefhebber van de Engelse aanpak. Die nemen voetbal ten minste serieus, placht hij te zeggen: als je veters tijdens de wedstrijd losgaan, krijg je meteen een boete. En terecht.

Foto: Mark Hughes van Manchester United (r) en Paul Warhurst van Sheffield tijdens de wedstrijd in Trafford