BEDEVAART

Devotie en negotie. Delft als bedevaartsplaats in de late middeleeuwen door G. Verhoeven 190 blz., geïll., VU Uitgeverij 1992, f 59,50 ISBN 90 5383 089 8

Wie thans een pelgrimage naar Delft onderneemt bezoekt De Trap in het Prinsenhof en Het Monument in de Nieuwe Kerk. In de late middeleeuwen was er meer keus: Delft beschikte over maar liefst vier mirakelbeelden, die tussen 1327 en 1519 een kleine vierhonderd wonderen hebben verricht. Drie beelden bevonden zich in de Oude Kerk: een Mariabeeld en een H. Kruis "mitten hairen' (het Christusbeeld was van echt haar voorzien). In 1503 kwam daar een O.L.V. van Zeven Smarten bij. De Nieuwe Kerk - gebouwd op instigatie van Maria - verkreeg al snel na de wijding in 1381 een Nood Gods. In zijn aanstekelijk geschreven proefschrift, waarvan de eerste 190 pagina's de opmaat zijn voor de wetenschappelijke uitgave van alle mirakelverhalen in de laatste 190 pagina's, schetst Verhoeven enerzijds een beeld van de bedevaarders en hun noden, anderzijds van de propaganda en inkomsten van kerkelijke zijde. Centrale vraag is of de kerken min of meer passief van de mirakelen profiteerden of een p.r.-campagne voerden ter spijziging van de kassa's. Ofschoon het boek met sympathie is geschreven is die vraagstelling mij hoogst antipathiek, en veel te beperkt.

De mensen die ter bedevaart gaan en gingen, doen en deden dat vanuit een buitengewone lichamelijke of geestelijke nood die niet door menselijk ingrijpen verholpen kon worden, of waarbij een duwtje in de rug onontbeerlijk was of is. Aan bedevaartplaatsen en mirakelbeelden was keus genoeg, en die van Delft waren van alle markten thuis. Wonderen waren echter zeldzaam, en als het voorviel, sprak het zich al snel rond. Naast de mond tot mond-reclame waren het de mirakelverhalen zelf die - verwerkt in preken - publiek trokken. Elkeen die het overkomen was liet er aantekening van maken, omdat ook toen al gold dat wat niet geschreven was, niet bestond. In de eerste plaats legde men het voorval vast uit dankbaarheid en als eerbetoon aan Maria. Voorts was het een bewijs dat men zijn dankbedevaart volbracht had, want wie gesmeekt had, verhoord was maar niet ter bedevaart kwam kreeg te maken met Gods toorn.

De mirakelverhalen verschenen pas in druk in 1510 en 1519, vlak voor het einde van de mirakelen te Delft: in 1519 hield Onze Lieve Vrouwe het aldaar voor gezien en verrichtte geen wonderen meer. Zowel in Amersfoort als Den Bosch liet de Zoete Moeder echter niet na voort te gaan met Haar genadewerk.

Het bekendmaken van mirakelen door de kerken was weliswaar propaganda voor de eigen "winkel', maar toch vooral een boodschap aan de gelovigen dat men hier terecht kon met bijzondere noden. Waar de priester in die tijd niet alleen bedienaar van het altaar was maar ook herder zou hij de gelovigen te kort doen door niet op een genadebeeld te wijzen. De extra-inkomsten van de Delftse beelden bedroeg 2,5 à 3% van het BDP (Bruto Delfts Product), niet veel, maar wel aantrekkelijk. De auteur heeft echter wel de inkomsten van de kerk gereconstrueerd maar niet gelet op de extra-uitgaven. Het ziet er naar uit dat alle extra inkomsten verdwenen in de infrastructuur van de kerken: meer pelgrims eisten betere routes in de kerken, grotere kapellen, meer Missen, meer onderhoud en versiering, en uiteraard de leeftocht voor de bedienaren der kerk.

De smaak blijft echter hangen dat Verhoeven in de kerkelijke dienaren graag geldmaniakken had gezien, wat zij niet waren, en ook dat de gelovigen rechter in de leer waren, hetgeen zij evenmin waren. Zeker, het is theologisch correcter Maria te beschouwen als Middelares en Voorspreekster, waar God het wonder verricht, maar een bedevaarder neemt het niet zo nauw. Uit de recente opmerkingen te Zafferana Etnea, dat alleen een wonder van de H. Maagd de lavastroom nog kon keren, geeft aan, dat ook vandaag Maria af en toe boven God wordt geplaatst.

Als Moeder Gods is Haar dat gegund. Sterker nog: men speelde diverse Maria-beelden tegen elkaar uit. Dat betekent dat het beeld er wel degelijk toe doet. Ook dat lijkt de schrijver niet duidelijk te zijn, of wreekt zich daar de Vrije Universiteit? Ik kan het de schrijver ook niet uitleggen waarom de Sterre der Zee en de Zoete Moeder van Den Bosch toch heel verschillende verschijnselen zijn. Maar ondanks deze kritiek mag niet verheeld worden dat Devotie of negotie een meeslepend boek is, hoogst informatief en met een schat aan gegevens.