Audio-visueel erfgoed is nauwelijks toegankelijk; Of het nu gaat om "Ja zuster nee zuster' of het jaaroverzicht van 1986, het meeste is gewist; De kassa is de moderne variant van het geheime labyrint en het moordwapen

Wie wat bewaart, heeft wat. Dit motto geldt al jaar en dag voor alles wat de Nederlandse cultuur aan schriftelijk materiaal produceert. Daarvoor geldt een vrijwillig overeengekomen depotplicht. De Koninklijke Bibliotheek bewaart een exemplaar van elk officieel gepubliceerde tekst, de Rijksarchieven bewaren allerhande belangwekkend materiaal, en dit alles is gratis door iedere burger te raadplegen. De overheid beschouwt de instandhouding van dit cultureel erfgoed terecht als een publieke taak.

Zonder beheer en beschikbaarstelling van dit erfgoed is behoud van een nationale culturele identiteit niet goed denkbaar. Wat die identiteit precies is weet niemand, maar dat radio en televisie bij de vormgeving daarvan een belangrijke rol vervullen en dat de uitgezonden produkties dus tot het culturele erfgoed behoren, daarover is iedereen het tegenwoordig wel eens. Al heeft het lang geduurd voor het zover was. Want al bestaat radio bijna driekwart eeuw en televisie ruim veertig jaar, de houding van de omroepen en de overheid ten aanzien van deze cultuuruitingen was overeenkomstig de vluchtigheid van de ether: ie wie waai weg. Sommige omroepen gebruikten zonder aarzeling oude banden voor het opnemen van nieuwe programma's. Zo'n band kost tenslotte driehonderd gulden. Dat het gewiste programma een ton had gekost, ach. De gevolgen van deze "penny wise pound foolish'-aanpak zijn overbekend: of het nou om "ja zuster nee zuster' gaat of om het jaaroverzicht van het Journaal uit 1986, het meeste is gewist of door ontoereikende conservering niet meer bruikbaar.

In 1989 heeft de toenmalige minister van WVC, Brinkman, een einde gemaakt aan deze roofbouwpraktijk in Hilversum. Hij stelde een bewaarplicht in voor alle radio- en televisieprogramma's. Het Nederlands Omroep Bedrijf (NOB) bewaart sindsdien alle programma's een aantal jaren. Daarna zal een selectie gemaakt worden en gaat het materiaal of naar een permanent archief of terug naar de omroepen.

Voor de conservering en reparatie van bestaand materiaal stelde Brinkman 35 miljoen ter beschikking. Daarbij zei hij: “Het heeft volgens mij weinig zin om cultuur-historisch uniek omroepmateriaal te conserveren en te ontsluiten, om dit vervolgens op de plank te leggen tot dat een der zendgemachtigden het wellicht nog een keer wil gebruiken. Omroepmateriaal moet ook voor derden toegankelijk worden voor studie, onderzoek of anderszins, en voor de daarmee samenhangende organisatorische en auteursrechtelijke problemen dienen oplossingen te worden gezocht”.

Zijn opvolgster, mevrouw d'Ancona, liet een adviesbureau onderzoeken hoe al dat audio-visuele materiaal het beste kan worden beheerd. Zij gaf als uitgangspunt onder andere mee: “Het bereiken van een breed publiek is daarbij van groot belang”. Het advies luidde: richt een Nationaal Audiovisueel Archief op en breng daar de vier grote archieven in onder, die van het NOB, de RVD, het Filmmuseum en de Stichting Film en Wetenschap. D'Ancona noemde vorig jaar in de Pinksternotitie dit advies een “aantrekkelijk vertrekpunt voor een goed georganiseerde en blijvende beschikbaarheid van ons nationale audiovisuele erfgoed”. Zo'n nationaal AV-archief zou naar schatting 8,5 miljoen gulden per jaar gaan kosten. Maar tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren, dat wil zeggen de wet van het geld. Want behoud van het cultureel erfgoed mag een trefwoord geworden zijn in deze snelle tijden. Het woord kassa is dat eveneens.

Het noodlijdende NOB wil deze archieven namelijk geheel overeenkomstig de tijdgeest waarin alles verrekend en doorberekend moet worden, alleen nog maar verkopen. Dat is investeren in cultuur. Zo werden begin dit jaar de twee chefs van het NOB-archief ontslagen omdat zij te weinig commercieel dachten en hadden uitgerekend dat het niet meer dan vijftig mille per jaar hoefde te kosten om elk wetenschappelijk verzoek om van een programma een kopie te maken te honoreren. Dat was niet de bedoeling, aldus de president-directeur van het NOB. Hij besloot alle AV-archieven, die het NOB in 1988 nota bene gratis in de schoot geworpen kreeg, te gelde te maken.

Het resultaat lijkt wat op Umberto Eco's De Naam van de Roos. Daarin werd de waardevolle kloosterbibliotheek door de bibliothecaris tot een geheim labyrint uitgebouwd om indringers te weren. En als nieuwsgierigen er toch in doordrongen, werden zij vermoord. De moderne variant van labyrint en moordwapen is de kassa. Kaartenbak inzien? Dat is dan honderd gulden. Documentaire bekijken? Dat is dan tweehonderd gulden per uur, exclusief zestig gulden "handlingfee'. Film omzetten op video? Dat is ƒ 485 per uur. Alles natuurlijk exclusief BTW. Wil een museum of wetenschapper, of wie ook, iets doen met het materiaal, dan wordt de kassa in de overdrive gezet: tien gulden per seconde aan rechten. Want de programma's van de omroepen zijn weliswaar met belastinggeld gemaakt, maar ze zijn juridisch eigendom van de omroepen.

Het resultaat is funest voor een ieder die ons audiovisuele erfgoed wil raadplegen, en op basis van dit erfgoed de huidige cultuur op een hoger peil wil brengen. Het ministerie van WVC dat het cultuurbehoud financiert, noemt als het zo uitkomt het ter beschikking stellen van archiefmateriaal niet haar taak, en verwijst daarvoor naar Onderwijs en Wetenschappen. Het is een baatzuchtige interpretatie van de archieftaak. Elders bestaat deze taak uit behoud, ontsluiting en beschikbaarstelling. Dat is een geheel zoals de Rijksarchieven (ook WVC) al jaar en dag terecht praktizeren.

Nu is het probleem natuurlijk dat conservering en raadpleging van audio-visueel materiaal duurder is dan die van papieren bronnen. Het resultaat van de huidige commerciële aanpak is echter strijdig met de voorwaarde die Brinkman expliciet, en d'Ancona terloops, zelf hebben gesteld: brede toegankelijkheid.

Met een gedifferentieerde tariefstructuur voor raadpleging en gebruik, met een nultarief voor de wetenschappelijke onderzoeker, zou het probleem vooralsnog al zijn opgelost. Dan kan men verder werken aan de realisering van de droom: een openbaar toegankelijk en goed bereikbaar Nationaal Audiovisueel Archief waarin alle belangwekkende films en videobanden die Nederland voortbrengt - dus zeker de documenten die met gemeenschapsgeld zijn gemaakt - zijn opgeslagen en ontsloten, en voor raadpleging en hergebruik worden aangeboden aan iedere geïnteresseerde burger. De overheid heeft hier een publieke taak. De minister zou deze taak niet aan een noodlijdend commercieel bedrijf mogen overlaten.